de ziener

het stamland van stilte
is niet zo veraf
en toch: ongezien voor wie kijkt

het is geborgen
in de frisse bron van de ziener
hij ziet met het hart

zien is zijn
wie ziet, is
zien is zonzwemmen
een volkstoeloop van heldere druppels
van zuiver hartweten
in een oceaan van liefde beleven
liefde is,
want ze kan niets anders zijn
een glimlach op de mond van de ziener

zien is ondervoed
we kijken teveel
alles gaat voorbij en wij kijken ernaar
zelfs grote pottenkijkers kijken mee
kijkers, verrekijkers, camera’s,
microscopen, telescopen…
een glimlach op de mond van de ziener

zoek niet naar zien
stop gewoon met kijken
word zo een vinder
en vind jezelf terug
hartelijk weer-zien
zalig zij die zuiver van hart zijn
zij zullen het licht zien
wie ziet is tijdloos:
niet van morgen, maar zeker ook niet van gisteren
hij is nu

al die opgedrongen angst van machtigen:
zwartkijkers naar een kijkkast van geld…
al dat lawaai van kijvende godsdiensten:
oefenaars in het kijken door het kijkgat van gelijk hebben
een glimlach op de mond van de ziener
hij ziet het spel, hij doorziet het en hij ziet er in
hij is gestopt met kijken
hij is het zien geworden
het graag zien
hij is,
want hij kan niets anders zijn…
 
is iemand die ziet dan zonder actie?
‘do ut des’ is aan geen ziener besteed
hij ziet wat hij is, hij leeft wat hij is
dat is zijn actie
omdat zovele anderen kijken, wordt een ziener nogal vlug raar bekeken
dat is zijn lot
een glimlach op zijn gezicht

vaak hoor je dan ook een ziener zeggen:
we zien wel
we zien wel
zie je wel?


Johan Duyck







Vriend

In elke ogen-blik
naar jou

In elke handdruk
met jou

In elk lied
van de vogel

In elk zingen
van de sprinkhaan

In elk fladderen
van de vlinder

In elk ruisen
van het riet

In elke parelende
dauwdruppel

wacht
een vriend

een vriend
voor het leven

een vriend
vóór het leven

in elk
ander

in elkander


Ivan Duyck





Gesprekje met een herfstige zomereik


hij is er weer
net als een hond die een bad heeft genomen, schudt ie z’n bladeren af
in hun dwarrelende val naar beneden schrijven ze hem,
stoeiend met de natte wind
een laatste zonnegroet …
die dankbare taal vloeit als een meanderend beekje door de lucht
in deze halfuitgeslapen dagen
en laten een onzichtbaar spoor achter (voor wie het dichtersoog heeft versluierd)
 
in de stilte van de plek omarmen we elkaar
oud weerzien
met de huid tegen elkaar fluistert hij mij zijn visioen toe

‘herfstkind,
dit is een tijd, getekend door aftakelen, afwerpen en loslaten
het lijkt voor jullie, aardemensen, wel erg moeilijk
voor ons is het een feest
met volle overgave ondergaan we de herfst van ons bestaan
toch is dit ook een tijd van zwangere zwammen en stille sporenvluchten
in warme morgens van nevels en mist geboren, vullen ze dromen en sprookjes
maar … al te vaak galmt het door het woud:
de elfenbankjes lopen leeg…
geen plaats meer voor Hazel en haar volk
veroorzaakt door schimmige mensen met muizenissen en spinnenwebben in het hoofd,
wiens ijle vingers al te veel woud hebben gekwetst, vertrapt en verdrongen
allerzielig, herfstkind
als vreemde, losgeslagen bladeren blijft het grote woudvolk verweesd achter..
vol verbijstering over deze stormwoede van de koortsig hollende mens,
geslagen door orkanen en wervelstormen van eigen hand,
hun mantel van ‘laat maar waaien’ tegen het vege lijf gedrukt
zich dicht slijmend in een duistere schuilplaats om niet te moeten weten
hun bolster is te dik geworden
verlatenheid, verlorenheid, diepe angst tot tochtgenoot gemaakt
ze blijven leven, maar het leven verlaat hen

maar, herfstkind, alles zal op zich-zelf teruggeworpen worden
niks zal nog huid hebben
de stammen voorgoed ontbloot
weg het bladgroen, weg de sluier
alles zal in elkaar duiken, geen maskers meer
weg is nu de tijd om nog een blad voor de mond te nemen
wij bomen weten: alleen dood sterft, leven niet

ach mensenkind,
durf je de weg van de oude woudbroeder te gaan?
hij die blijft liefhebben ondanks vreemde stormen en beginnende kilte en vorst
hij die door het groot venijnig gesis heen luistert naar de oerklank van het woud
kruip in je stam , ontbolster
en voel weer het grote hart dat achter alles klopt,
laat de vonk weer oplichten,
laat ze weer tot volle zon worden
spreek met vlammen van kracht
kies voor warme gesprekken
of zoals men vroeger zei,
toen onze elfenbankjes nog levendig vol zaten
en het grote woudvolk je fluisterend verwelkomde:
‘in één goed woord zit voor drie winters warmte…’

ook wij, eiken, waren ooit kleine vruchtjes
wat wij weten is simpel’

hij en ik,
de eik en ik
we vervloeien in elkaar

in stilte nemen we afscheid

en terwijl de wind me nog eens stevig knuffelt,
barst een verheven wolk in vreugdetranen uit:

zalig herfstfeest!


Johan Duyck