Graskoppen juichen en jubelen
bomen huiveren en
het sap der bladeren geeft zich over
aan de wind,
het leven komt van ver
het zindert in stammen en nerven
en in mijn merg
dat zich met haar vereent.
De eeuwen gaan door mij 
ik huiver door de eeuwen:
mijn rilling van de grote golf
waarin mijn korte zindering
onsterfelijk verwijlt.

© Erik van Ruysbeek




Het verre weten

Ik sta in de zilversnelle beek
ze kronkelt tussen palingkruid en witvismos
naar het bos en zijn grote witte duister.


Ik sta in de afgrond van mijzelf
de schepping heeft zich in mij ont-schapen
bewustzijn keert tot bewustheid weer
en ik word zee van ongeschapen licht
waarin de afgrond en het bos verdwijnen.


Heeft iets bestaan? Zal ooit nog iets bestaan?

Roodborstjes zie ik dartelen in een kuil
van het bos zie ik ieder blad gesneden
zij zijn de vormen en het leven van het niets
en van het al zijn zij het verre weten.

© Erik van Ruysbeek



De ene zon

Wat doet gij met mijn hart
vreugd die alle hartevreugd verpulvert
en oneindig over de wereld spreidt?


Het leed der aarde neemt gij in u op
en maalt het fijn tot een substraat van sterren
tot licht van onbereikbare bereikbaarheid.

Eens zal het hart het al bereiken
de liefde en de kennis werpt het uit hun grenzen
de vreugde en het leed golven uit in zaligheid.

Eens zal het hart geen hart meer zijn
van alle wateren is het dan de éne oceaan
van alle stralingen de éne zon.

Dit is het weten al van elke steen, van elke plant
het heimwee van de mier en van de mens
't alomaanwezig middelpunt van het heelal.

© Erik van Ruysbeek



Wedergeboorte

 

voor Marijke en Marcel Messing

 

Niet deze druppel regeert dit leven

maar de stroom

niet dit lichaam

maar wat dit lichaam

boven de eigen stroming heft

meewerkend even

met onaflatende kolken

eer het verzadigd

door doezelende beweging

tot tijdloze rust

weer onder gaat.

 

Zo sterft de druppel

opdat de stroom zou leven

en ongetelde druppels

uit het ontelbare

zou wekken

waarin het licht der diepten

ongeboren en onsterfelijk

beter oplichten kan.

 

Zo schept het leven het leven

zonder eind zonder begin

onuitputtelijk en gegeven.

 

© Erik Van Ruysbeek




Wozu Dichter in dürftiger Zeit?

De wereld is vergaan en op het smeulend puin
is reeds de nacht gedaald.
De mens krioelt. Verdwaasd in het pikdonker
waant hij zich een god en roept
zijn eigen godsdienst uit:
een blinde aap aanbidder van het Niet.

Zo werden wij de eenzamen,
verplichte wachters bij het licht,
zo werden wij roepers in de woestenij,
klimmers uit de afgrond,
wegbereiders van hen die komen,
schouwers in zich van de nieuwe morgen.

Want morgen komen zonnezonen
die rechtstreeks weer en helder
uit het volstrekte spreken,
onze oneindigheid weer uit haar duister heffen.

Ach aarzelend is onze taal
en ons visioen gesluierd
doch mij volstaat het
te stijgen op mijn zuiverste top
en daar te klinken:
een duistere heraut van de dageraad.

© Erik Van Ruysbeek
(1915-2004)