Het lied van de parel


Marcel Messing

 

In een tijd van  grote crises is het belangrijk
om zich te bezinnen op wie en wat we zijn.
In de gnostische tekst Het lied van de parel
worden we herinnerd aan onze ware afkomst,
 het rijk van het licht. Juist in donkere tijden
kan zo’n tekst ons inspireren om in te keren
 tot onszelf en het licht in ons te realiseren.
*
Met toestemming van uitgever en auteur
overgenomen uit het boek 
De laatsten zullen de eersten zijn.
Over de parabels van Jezus, deel II,
Altamira-Becht 2001, p. 142-169,
ISBN 90 6963 516 X / NUGI 612
      (voor
www.wijwordenwakker.org bewerkt)

 

Mandeeërs; Nazoreeërs, Nazareners, nazireeërs

Het lied van de parel is afkomstig van de mandeeërs, een van de joods-gnostische groeperingen uit Mesopotamië van vóór de christelijke jaartelling. Tussen de mandeeërs en Nazoreeërs (ook wel  Nazareners genoemd, met wie Jezus in relatie stond) is een zekere verwantschap. Dankzij de Dode-Zeerollen weten we meer over de mandeeërs en de Nazoreeërs. In bepaalde opzichten vertonen ze overeenkomsten met de Essenen. De Nazoreeërs blijken wel degelijk verwantschap te hebben met de nazireeërs en het nazireaat. In twee paragrafen van het Evangelie volgens Filippus wordt over Jezus als Nazarener gezegd:

 

’Jezus’ is een verborgen naam.

‘Christus’ is een openbare naam.

Daarom komt ‘Jezus’ in geen enkele taal voor.

‘Jezus’ is zijn eigen naam – zoals hij genoemd wordt.

Wat Christus betreft:

zijn naam is in het Syrisch ‘Messias’

en in het Grieks ‘Christòs’

en komt bij anderen

ook in hun taal voor.

‘De Nazarener’ is de openbare naam

van de verborgen naam.1

Evangelie volgens Filippus, paragraaf 19

 

De apostelen vóór ons noemden hem als volgt:

‘Jezus de Nazoreeër, de Messias’,

dat wil zeggen:

‘Jezus de Nazoreeër, Christus’.

De laatste naam is ‘Christus’,

de eerste ‘Jezus’,

de middelste ‘Nazoreeër’.

Messias heeft twee betekenissen:

zowel ‘Christus’ als de ‘tijd-gemetene’.

Jezus is Hebreeuws voor ‘de verlossing’.

‘Nazara’ is ‘de waarheid’;

‘de Nazarener’ betekent dus ‘van de waarheid’.

De Christus hebben ze begrensd

(door) de Nazarener en Jezus,

die beperkt zijn.2

Evangelie volgens Filippus, paragraaf 47

 

En Mattheüs 2:24 zegt over Jezus: ‘Hij zal Nazoreeër genoemd worden.’ (Zie ook Marcus 1:24; Lucas 18:37; Johannes 18:5; 18:7; 19:19.) Een Nazoreeër was dus een volgeling van de waarheid.

In het Oude Testament (Numeri 6:1-21) is sprake van de nazireeërs, een gemeenschap waarvan de leden (mannen en vrouwen) de gelofte van nazireaat aflegden: een gelofte die gold voor een door henzelf gekozen periode van zuivering voor God. De gelofte gaat terug tot oude inwijdingskennis. Wie zo’n gelofte had afgelegd, zag af van wijn en sterke drank, van druivensap en zelfs van druiven. ‘Zo lang zijn gelofte duurt, mag geen scheermes zijn hoofd aanraken. Tot de tijd dat hij zich aan de Heer gewijd heeft voorbij is, is hij heilig en moet hij zijn hoofdhaar laten groeien.’ (Numeri 6:5) Het Hebreeuwse woord nazar betekent ‘zich afscheiden’ en nazir betekent ‘gewijde’ of ‘ingewijde’. In de loop der tijd ontwikkelde zich de inhoud van het nazireaat (bijvoorbeeld: het eten van druiven en het drinken van ongegist druivensap zijn toegestaan). De mandeeërs kenden het woord nazarutha: verwerkelijking van de waarheid; verlichting. De volgelingen of leerlingen van iemand die nazarutha gerealiseerd had en het pad tot bevrijding onderrichtte, werden Nazareners genoemd. In de bijbel worden de benamingen Nazoreeër, Nazarener en nazireeër naast elkaar gebruikt. Ze verwijzen naar dezelfde oorsprong: nazarutha.

 

Johannes de Doper wordt vaak in relatie gebracht met de mandeeërs of de nazireeërs. Nog voordat Johannes geboren wordt, zegt engel Gabriël tegen Zacharias, de vader van Johannes, dat Johannes zal afzien van ‘wijn en (andere) roesverwekkende drank’ (Lucas 1:15). Johannes zag bovendien ook af van het eten van vlees. Zijn voedsel bestond volgens de canonieke teksten uit ‘sprinkhanen’, een volksnaam voor de vitaminerijke peulvruchten van de johannesbroodboom, die de vorm van sprinkhanen hebben.3 Verder at hij ‘wilde honing’ (Mattheüs 3:4; Marcus 1:6). Volgens Edgar Henneckes vertaling uit het Grieks van het Evangelie van de Ebionieten (Neutestamentliche Apokryphen, 1904) zou Johannes geen wilde honing en ‘sprinkhanen’ (Grieks: akrides) gegeten hebben, maar wilde honing die naar ‘koeken’ (Grieks: enkrides) smaakte. Zowel Bakels als Klijn volgen in hun vertaling Hennecke: ‘Zijn eten bestond uit wilde honing die naar manna smaakte, als ware het een koek (gebakken) in olie.’4 In een voetnoot voegt Klijn eraan toe dat dit ‘een voorbeeld van vegetarisme is dat in dit evangelie aangehangen wordt’. En in zijn inleiding op het Evangelie van de Ebionieten merkt hij op dat de schrijver van dit evangelie ‘blijkbaar een afkeer had van vlees’.5 Trouwens, de meeste leerlingen van Jezus en ook Jezus zelf aten vegetarisch.6 Uit het Evangelie van de heilige twaalven (1979) blijkt dat Jezus een pleidooi heeft gehouden voor vegetarisme. En in het Evangelie van de Ebionieten staat duidelijk dat Jezus geen vlees at:

 

De leerlingen zeiden: ‘Waar wilt U dat we voor U het paasmaal gereedmaken?’ Hij zei: ‘Ik heb er toch niet naar verlangd om aan dit paasmaal met jullie vlees te eten?’7

 

Jezus was nooit in Nazareth

 

Als Paulus tijdens het vervolgen van de christenen zijn bekende visoen krijgt in Damascus (een van de belangrijkste plaatsen overigens waar Nazoreeërs en Essenen woonden) hoort hij een stem zeggen: ‘Ik ben Jezus, de Nazoreeër, die jij vervolgt.’ (Handelingen van de Apostelen 22:8) Na zijn ‘bekering’, die in feite zijn aansluiting inhield bij de joods-christelijke, gnostische groep der Nazoreeërs te Damascus, wordt Paulus beschreven als ‘de leider van de sekte der Nazoreeërs’ (Handelingen van de Apostelen 24:5). Die stap werd hem door de Farizeeën, uit wier klasse hij afkomstig was, zeer kwalijk genomen.

Dat ‘Nazoreeër’ of ‘nazireeër’ in verband zou staan met het plaatsje Nazareth, waar Jezus zijn jeugdjaren zou hebben doorgebracht, is pertinent onjuist. De woorden ‘Jezus van Nazareth’ dienen vertaald te worden met ‘Jezus, de nazireeër’ of  ‘Jezus, de Nazoreeër’, met verwijzing naar het woord ‘nazarutha’. Jezus had ‘nazarutha’ gerealiseerd: hij was een verlicht meester. Hij bracht zijn kinderjaren niet door in Nazareth (in de landstreek Galilea) en heeft daar ook nimmer in een synagoge gepredikt. Op oude landkaarten uit die tijd staat nergens een plaatsje Nazareth, en het Oude Testament en de talmoed8 spreken met geen woord over deze plaats. Wel werd in de vierde eeuw n. Chr. het plaatsje En-Nasira ontdekt, een kleine, typisch joodse nederzetting rondom een bron, gelegen in Galilea. En-Nasira werd door de opkomende christelijke staatskerk, die in verlegenheid was gebracht dat er ten tijde van het leven van Jezus nergens een plaatsje Nazareth had bestaan, snel omgedoopt tot het later zo bekend geworden Nazareth. Na veel mystificaties over dit plaatsje en allerlei onjuiste informatie groeide En-Nasira uit tot Nazareth, de zogenaamde woonplaats van Jezus. Jaarlijks trekt dit plaatsje nu miljoenen toeristen en levert heel wat geld op voor priesters en staat. In de tijd van Jezus was Joppe de belangrijkste plaats van Galilea en niet En-Nasira. Het volledig door joden bewoonde En-Nasira, dat overigens geen synagoge had, kan onmogelijk centrum zijn geweest van het ‘Galilea der heidenen’ (Mattheüs 4:15). Die ‘heidenen’ waren namelijk vooral niet-orthodoxe joodse groeperingen, zoals de Essenen en Nazoreeërs. En het is vooral uit Galilea dat Jezus zijn leerlingen kiest! Ook Flavius Josephus, die gouverneur van Galilea was en deze streek volledig kende, rept met geen woord over Nazareth.9



 

 

De parel als gnosis bij de mandeeërs en Jezus

Het Syrische woord mandeeër heeft als stam manda, dat ‘gnosis’ of ‘intelligentia’ betekent. Een van de belangrijkste symbolen van de mandeeërs was de parel. De parel is symbool van Manda d’Haije, Syrisch voor ‘de kennis Gods’ ofwel ‘goddelijke gnosis’. In de mythen van de mandeeërs werd Manda d’Haije meestal gepersonifieerd als God. De parel is zowel de goddelijke gnosis die tot Zelfrealisatie leidt als de Geest zelf die in de materie verborgen ligt. Omdat Manda d’Haije vanuit het lichtrijk afdaalde op aarde, werd het voor de menselijke zielen mogelijk om los te komen van de krachten der duisternis en demonen en weer terug te keren naar het rijk van het licht. In Het lied van de parel komen allerlei motieven voor die terug te voeren zijn tot de scheppingsmythologie van de mandeeërs. Tevens zijn er motieven in aanwezig die teruggrijpen op oeroude mythen waarin een heiland op aarde afdaalt om de in de stof gevangen mensheid te verlossen.10 De mythe over de Logos, de Christòs die vanuit ‘de hemelen ter helle’ afdaalt om de parel van de gnosis naar de mensen te brengen, sluit hierop aan. Al deze mythen verbergen onder het kleed van hun symbolische taal oeroude inwijdingskennis. Het lied van de parel gaat over de gnosis die tot bevrijding voert, tot vereniging met God. Het is een poëtische zang. De parel als symbool van de gnosis (en van het rijk der hemelen) werd ook door Jezus gebruikt.

 

In de mythe van de mandeeërs over de verlossing van de in de duisternis gevangen zielen speelt Manda d’Haije, die als verlosser de personificatie is van ‘de kennis Gods’ en al bestond vóór de zichtbare schepping, een centrale rol. Het lied van de parel beschrijft de pelgrimstocht van iedere individuele ziel die de lichtwerelden verlaat om af te dalen in de steeds dichter wordende wereld van de materie, van de duisternis. Tijdens die afdaling is de ziel gedwongen om haar schitterend ‘lichtkleed’ achter te laten en het ‘stoffelijk kleed’ (lichaam) aan te nemen van de wereld der vormen. Door identificatie met dit kleed vergeet de ziel wie en wat ze is en wat haar taak op aarde is, totdat vanuit het lichtrijk een boodschap wordt gestuurd om de verdwaalde ziel te doen ontwaken en aan te sporen terug te keren naar het lichtpaleis van haar ouders. In de parabel ‘de verloren zoon’ keren soortgelijke motieven terug.11

 

Verschillende benamingen en manuscripten

Het lied van de parel is slechts een van de benamingen voor onze tekst.12 Andere zijn: De hymne van de parel, Het lied van de prins en de parel (en het kleed), De hymne van de ziel, De pelgrimstocht van de ziel, Hymne van de mantel der (hemelse) glorie.13 Uit de apocriefe tekst De Handelingen van Thomas (hoofdstuk 108-113) blijkt dat het om een lied gaat, dat de apostel Thomas (die door Jezus naar India was uitgezonden om daar de gnosis te onderrichten14) in de gevangenis opzegt, nadat hij eerst voor zijn medegevangenen gebeden had. Gezien de lyrische stijl die duidelijk verschilt van de tekst waarin het is opgenomen, is het Lied door een andere auteur geschreven dan die van deze Handelingen.15 Terwijl Thomas in de gevangenis zat, beraadslaagden de Indiase koning Misdaeus en diens vriend Charisius hoe ze Thomas, vanwege zijn groeiende invloed op de bevolking, om het leven zullen laten brengen. Van De Handelingen van Thomas zijn 81 manuscripten in omloop, ‘waarvan 6 in het Oudsyrisch en 75 in het Oudgrieks. Die manuscripten verschillen nogal van elkaar. In één Oudsyrisch manuscript uit het jaar 936 n. Chr. en in één Oudgrieks manuscript, omstreeks 1050 n. Chr.’, treffen we de tekst van Het lied van de parel aan. In de 79 andere manuscripten komt het Lied niet voor.16 Uit een aantal vertalingen van Het lied van de parel 17 is een samenvatting gemaakt (met letterlijke tekstfragmenten), waarna een esoterische uitleg volgt.

 

Samenvatting van ‘Het lied van de parel’

Het Lied gaat over een prins die toen hij ‘een klein kind’ was in het paleis van zijn ouders woonde in een land in het Oosten. Daar leidde hij, samen met zijn oudere broer, een onbezorgd leven, genietend van de rijkdom en de weelde. Op een dag zenden zijn ouders hem weg uit het Oosten. Hij moet op reis, afdalen naar Egypte. Ze voorzien hem van voedsel en allerlei schatten voor onderweg, maar zijn lichtkleed, dat ze in liefde voor hem gemaakt hadden, nemen ze hem af, en ook zijn purperen bovenkleed, dat op zijn maat gemaakt was.18 Ze sluiten een overeenkomst met hem en griffen die in zijn hart, opdat ze niet vergeten zal worden:

 

Als je afdaalt naar Egypte

breng dan de ene parel terug

die zich midden in de zee bevindt

omringd door de luid sissende slang

[dan] zul je het lichtkleed [weer] aantrekken

en het purperen bovenkleed dat daarbij hoort

en samen met je broer, die de tweede is in macht,

ons koninkrijk beërven.

 

Twee gidsen vergezellen hem op zijn gevaarlijke en moeilijke reis, want hij was nog te jong om alleen te kunnen gaan. Tijdens zijn afdaling naar Egypte passeert hij achtereenvolgens de grens van Maishan, Babel en de muren van Sarbug. In Egypte aangekomen, verlaten de twee gidsen hem. Regelrecht gaat hij naar de verblijfplaats van de slang, maar het lijkt hem toch beter om eerst in een herberg in de buurt te overnachten en te wachten tot de slang gaat slapen om dan de parel van hem te kunnen wegnemen. De jonge prins voelt zich eenzaam en alleen, een vreemdeling tussen de andere gasten in de herberg. Maar hij ontmoet daar een vrijgeborene, een stamgenoot, net als hij afkomstig uit het Oosten. Het is een vriendelijke jongeman met wie hij vriendschap sluit en aan wie hij het doel van zijn reis vertelt. De vrijgeborene waarschuwt hem voor de Egyptenaren en voor de omgang met onreine mensen.19 Om er niet als een vreemdeling uit te zien, trekt de prins echter dezelfde kleding aan als de Egyptenaren, zodat zij geen argwaan zouden krijgen over zijn afkomst en hem ervan zouden kunnen verdenken dat hij gekomen was om de parel van de slang af te pakken, want dan zouden ze de slang wel eens tegen hem kunnen ophitsen. Maar op de een of andere manier ontdekken ze toch dat hij geen landgenoot is. Ze misleiden hem door een list en geven hem van hun voedsel te eten. Daardoor vergeet de prins dat hij een koningszoon is en nu hún koning dient. Hij vergeet de parel, waarvoor zijn ouders hem naar Egypte hadden gestuurd. Door het zware voedsel valt hij in een diepe slaap. Alles wat hem overkomen is, komen zijn ouders te weten. Ze zijn er verdrietig om. Via een proclamatie in hun koninkrijk kondigen ze af dat de prins niet langer in Egypte mag blijven. Ze sturen hun zoon een gezegelde brief, ondertekend door alle edelen:

 

Van je vader, de koning der koningen,

en je moeder, die over het Oosten regeert

en van je broer, de tweede na ons,20

aan onze zoon die in Egypte is, gegroet!

Ontwaak en sta op uit je slaap

en luister naar de woorden van onze brief.

Herinner je dat je een koningszoon bent

en zie toe wie je in knechtschap gediend hebt.

Denk aan de parel,

waarvoor je naar Egypte bent gestuurd.

Herinner je het lichtkleed

en het purperen bovenkleed

opdat je ze draagt, je je daarmee tooit.

Je naam staat vermeld in het boek des levens

en je zult met je broer, onze plaatsvervanger,

erfgenaam van ons koninkrijk zijn.

 

De brief was gezegeld met de rechterhand21 van de koning om hem uit handen te houden van de boze kinderen van Babel en de tirannieke demonen van Sarbug. In de gestalte van een adelaar, de koning van alle vogels, vliegt de brief naar de prins toe en begint te spreken, waardoor de prins uit zijn diepe slaap ontwaakt. Hij kust de brief, verbreekt het zegel en leest de boodschap, die overeenkomt met wat in zijn hart geschreven staat. Hij herinnert zich weer dat hij een koningszoon is, en zijn vrije afkomst verlangt weer naar haars gelijke. Hij herinnert zich ook weer de parel, waarvoor hij naar Egypte was gestuurd. En hij begint de verschrikkelijke en luid sissende slang te betoveren door de namen van zijn ouders en zijn broer over haar uit te spreken. Hij neemt de parel weg en keert terug naar het huis van zijn vader. Hij werpt het vuile en onreine kleed van zich af en laat het in Egypte achter. Regelrecht gaat hij naar ‘het licht van ons huis in het Oosten’. De brief die hem uit zijn slaap had gewekt, gaat hem vóór, en zoals hij hem met zijn stem had gewekt, zo leidt de brief hem nu met zijn licht:

 

Want hij schitterde voor mijn ogen,

op lichtende zijde geschreven.22

En door zijn woord leidde hij mij.

 

De prins passeert Sarbug, laat Babel links liggen en komt aan in Maishan, de haven der kooplieden, gelegen aan zee. Via twee schatbewaarders sturen zijn ouders vanuit de hoogten van Warkan23 het lichtkleed en het purperen bovenkleed, waarmee hij eertijds getooid was, naar Maishan. Omdat hij nog een kind was toen hij het huis van zijn vader verliet, herinnert hij zich de glans van het lichtkleed niet meer. Maar zodra hij het lichtkleed ziet, lijkt het op zijn spiegelbeeld:

 

Ik zag geheel mijzelf erin

en het [lichtkleed] geheel in mij,

wij waren twee, van elkaar onderscheiden,

en toch weer één, in één gestalte.

En ook de schatbewaarders

die het lichtkleed brachten

zag ik als twee, in één gestalte,

want het koninklijk zegel

was op hen [beiden] geschreven.

 

Dankzij de twee schatbewaarders krijgt de prins het lichtkleed terug, dat bezet is met edelstenen en overal de beeltenis van de koning der koningen laat zien. Hij ziet ook dat de eerste beginselen van kennis24 van het lichtkleed uitgaan en dat het zich gereedmaakt om te spreken:

 

Dit ben jij.

Ter wille van mij hebben de schatbewaarders je gewekt

om je binnen te leiden in de aanwezigheid van mijn vader.25

 

De prins bemerkt dat zijn gestalte groter wordt door de werkzaamheid van het lichtkleed, dat zich ‘met koninklijke bewegingen’ over hem uitstort. Hij tooit zich met het stralende kleed, drapeert het purperen bovenkleed eroverheen en stijgt op naar zijn vader, die hem het kleed gezonden had. De vader verheugt zich over hem, want hij is weer in zijn koninkrijk. De opdracht is vervuld. ‘De vader heeft zijn zoon het lichtkleed teruggeschonken en belooft hem dat hij in zijn lichtkleed én met zijn parel, samen met hem, naar de poort van de koning der koningen zal gaan.’26

 

Een esoterische uitleg

 

Het ouderlijk huis verlaten

Het lied van de parel gaat over de menselijke ziel die wordt ingewijd in de stoffelijke wereld. Haar oorsprong is het onvergankelijke rijk van het licht, het paleis van de ouders in het Oosten. Omdat volgens de scheppingsmythe van de mandeeërs de ziel (de prins) van goddelijke afkomst is, worden de ouders van de prins voorgesteld als een koning en een koningin. In het ouderlijk huis, het rijk van het licht, is alles in vrede, er is rijkdom en weelde, er zijn geen verlangens. Zoals talloze mythen (maar ook sprookjes en legenden) spreken over een paradijselijke beginsituatie van de nog onervaren mens en over zijn ‘val’ in de stoffelijke wereld, die gesymboliseerd wordt in de verandering van ‘kleding’,27 zo verhaalt Het lied van de parel dat voor de nog jeugdige en onervaren ziel (het kleine kind) de tijd is aangebroken om het paleis in het Oosten te verlaten. De nog maagdelijke ziel moet de oorspronkelijke geestelijke eenheid, zijn thuis, verlaten, afdalen in de stoffelijke wereld om daar, te midden van de dualiteit, de parel van eenheid te hervinden. De afdaling in de stoffelijke wereld kan gezien worden als een inwijding, het opdoen van de kennis der tegenstellingen, waarbij de geestelijk oorsprong een tijdlang niet meer herinnerd wordt. Het is een soort slaap, een geestelijke ‘dood’, waaruit de ziel weer moet worden opgewekt (de kus van de prins aan de prinses in het sprookje), zodat ze, voorzien van de kennis der tegenstellingen, zo spoedig mogelijk kan terugkeren naar het ouderlijk huis, de eigen essentie, het totale zijn. Tijdens de lange reis door de stoffelijke wereld is de ziel (het kleine kind) volwassen geworden, zonder echter haar reine onschuld te verliezen. (Vergelijk de parel die nimmer in waarde daalt als ze in de modder wordt gegooid en nimmer in waarde stijgt als ze met balsemolie wordt ingewreven.28)

Op mystieke wijze uitgedrukt: totaalbewustzijn wordt manifest als heelal; het Ene wordt het vele; totaalbewustzijn in rust (het vormloze) gaat over in totaalbewustzijn in beweging (de wereld der vormen); de Geest openbaart zich cyclisch in de wereld van de stof; Stilte wordt Woord, en het Woord is de Naam van God of de Zoon van God. Het Woord, in de veda’s Aum genoemd, door de Sikhs Nam of Shabd en door de islamieten Bang-I-Asmani, is de verklanking van al hetgeen eerst onzichtbaar was. Vanuit een onpeilbare leegte komt in de oerexplosie van de big bang het heelal tot aanschijn. Het is de grondeloze Stilte die tot Woord komt, scheppend gebeuren wordt. In de mythen wordt dit gebeuren gesymboliseerd door het idee van een scheppergod. In de cyclische overgang van de Geest in de stof, van eenheid naar veelheid (evolutie genoemd) ontstaat geleidelijk het idee van afgescheidenheid, van dualiteit. Tijdens een cyclische openbaring van de Geest in de veelheid der vormen trekken alle levende wezens door ‘de sluier van maya’, de versluierende kracht van de stof, totdat ze weer ontwaken aan het Ene, dat ze onverbrekelijk zijn, altijd, hier en nu. Stilte wordt Woord. Woord verzinkt in Stilte. Een heelal verschijnt (big bang). Een heelal verdwijnt (big crunch). En dat alles in een ritme, in de veda’s ‘de ademhaling van Brahma’ genoemd.

 

Het lichtkleed en het purperen bovenkleed

Als de cyclische overgang van eenheid naar veelheid plaatsvindt en de Geest manifest wordt in ‘de moeder der duizend dingen’ (de materie), meent de ziel een tijdlang afgescheiden te zijn van ‘het huis van de Vader’, de ongrond, die ze is. In de diverse mythen wordt dit beschreven als een ‘val’, een ‘uitdrijving uit het paradijs’ of een ‘verlaten van het lichtpaleis’. In Het lied van de parel wordt het voorgesteld als het kleine kind dat vanuit het Oosten afdaalt naar Egypte, uitgerust met (geestelijk) voedsel en allerlei schatten (geestelijke vermogens of siddhi’s). Dit betekent dat de ziel tijdens de eerste fasen van de afdaling in de stoffelijke wereld nog vanuit haar eigen essentie leeft. Het lichtkleed, dat de ouders van de prins uit liefde voor hem gemaakt hadden, en het purperen bovenkleed, dat op zijn maat gemaakt was, symboliseren de essentie van de ziel: licht en liefde. Ze zijn tegelijkertijd symbool van het altijd stralende en allesomvattende Zelf, waarmee de ziel verbonden is. In verband daarmee symboliseert het lichtkleed het stralende aspect van het Zelf, en het purperen bovenkleed de allesomvattende kwaliteit van het Zelf. Tijdens de afdaling van de ziel in de materie zijn die kwaliteiten een tijdlang niet waarneembaar. In de joodse mystiek en gnosis, in Esseense geschriften en in manichese hymnen wordt vaker gesproken over het lichtkleed. De katharen spraken over het ‘weven van het lichtgewaad’, een esoterische versluiering voor Zelfrealisatie. Uit het Johannesevangelie blijkt dat ook van Jezus de klederen werden afgenomen tijdens de kruisiging:

 

De soldaten die Jezus gekruisigd hadden, namen zijn klederen29 en verdeelden ze in vieren, voor iedere soldaat een deel. En zij namen zijn onderkleed30, dat naadloos was, van bovenaf uit één stuk geweven.

Johannes 19:23

 

Het naadloze onderkleed is symbool van de innerlijke vereniging van Jezus met het Zelf. (Vergelijk Johannes 10:30: ‘De Vader en ik zijn één.’) De kerkvader Cyprianus, bisschop van Carthago, zegt over dit onderkleed in zijn Verhandelingen (paragraaf 1,7): ‘Dit kleed bevatte in zich een eenheid die van de hoogste kwam, dat wil zeggen, kwam van de hemel en de vader...’31

 

De koningsmantel in de alchimie

Het achterlaten van de koningsmantel tijdens de tocht van de ziel door de materie en het er opnieuw mee bekleed worden komt in de alchimie op vele prenten en emblemata voor. Een van de mooiste afbeeldingen is te vinden in Splendor Solis (‘Schittering van de zon’), een werk van de Duitse alchimist Solomon Trismosinus uit het einde van de zestiende eeuw. Op prent VIII, genaamd Caeleste auxilium (Hemelse hulp), is een naakte man te zien die uit een modderpoel komt. Zijn rechterarm, nek en glasachtige hoofd zijn bloedrood. Zijn linkerarm is wit en strekt zich uit om een karmozijnrode koninklijke mantel in ontvangst te nemen uit handen van een vrouwelijke witgevleugelde engel, die een gouden kroon op haar hoofd draagt waarboven een zilveren zespuntige ster schittert. Haar gewaad, versierd met rode en blauwe bloemen en groene bladeren, en haar lange blauwe cape met gouden randen symboliseren het hemels lichtgewaad, het ware Zelf. In de verte is een sereen heuvellandschap te zien, symbool van het domein van de geest. De verschillende dieren (vogels, zoals papegaai, fazant, gaai en hop; herten en apen) en bloemen staan voor de transformatie van het plantaardige en het dierlijke in de mens. Het hele tafereel symboliseert de vergeestelijking van het stoffelijk lichaam na de lange tocht door de materie. Daarbij duidt de karmozijnrode mantel op het weven van het lichtkleed vanuit het gezuiverde bloed, dat de vibratie van de ziel resoneert (afbeelding 1). Rood verwijst in de alchimie ook naar de zon, het licht. Dit komt onder andere tot uitdrukking in het symbool van ‘de rode leeuw’: de manen van de leeuw symboliseren de stralen van de zon; de rode kleur verwijst naar het bloed waarin de partikeltjes (zon)licht aanwezig zijn. Het geheim van de menselijke transformatie en transfiguratie wordt in Apocalyps 19:13 als volgt verwoord: ‘Hij [de hemelse ruiter] is gehuld in een met bloed gedrenkte mantel, die “het Woord van God” wordt genoemd.’

 

De afdaling in de stoffelijke wereld

Dat het lichtkleed en het purperen bovenkleed (in de oudheid was purper bij uitstek de stof voor koningsmantels) worden afgenomen, wil zeggen dat tijdens de afdaling van de ziel in de stoffelijke wereld de stralende luister van haar lichtgewaad (het Zelf, met licht en liefde als kwaliteiten) wordt afgedekt door een stoffelijk gewaad (het lichaam), zodat de lichtstraling ervan voor het stoffelijk oog tijdelijk niet waarneembaar is. De ziel raakt het besef kwijt van haar onmetelijke lichtlichaam (het Zelf), dat met alles en allen verbonden is. Als Adam en Eva het paradijs verlaten, verliezen ze ook hun lichtgewaad, dat wil zeggen: ze vergeten hun ware Zelf. In plaats daarvan dragen ze voortaan ‘rokken van vellen’ ofwel ‘dierenhuiden’ (Genesis 3:21). ‘In het huis van mijn Vader zijn vele woningen,’ zei Jezus (Johannes 14:2). Dat betekent dat er in andere gebieden van het heelal (etherische, astrale, mentale, causale enzovoort) andere ‘klederen’ nodig zijn, die de luister van het lichtkleed tijdelijk bedekken.

In Het lied van de parel vindt de afdaling in de stoffelijke wereld geleidelijk plaats. Dit wordt gesymboliseerd door het ‘passeren’ van enkele plaatsen: Maishan, Babel en Sarbug. Maishan of Messene was in de oudheid een belangrijke havenstad aan de Perzische Golf en een centrale ontmoetingsplaats van kooplieden. Maishan symboliseert hier het eerste contact met de wereld van de stof. Babel of Babylon, vlak bij Bagdad gelegen, is vooral bekend uit het Oude Testament vanwege de daar in hoogmoed gebouwde trapvormige tempeltoren, die tevens als sterrenwacht diende (zikkoerat) en tot ‘de spraakverwarring’ ofwel het ontstaan van de vele talen der mensen leidde (Genesis 11:9). In Het lied van de parel symboliseert Babel de verwarring van de menselijke ziel tijdens de verdere afdaling in de stoffelijk wereld, waar het zicht op de eenheid van geest verdwijnt. Als laatste plaats passeert de ziel de muren van Sarbug. Sarbug is moeilijk na te gaan. Het is een Syrische naam, maar de betekenis ervan is niet bekend. In de Griekse tekst is Sarbug vertaald met ‘Labyrint’, wat erop wijst dat de ziel door de eindeloze verlangens van het ego volledig verdwaald is geraakt in het labyrint der wereld. In de muren van Sarbug, het labyrint der wereld, raakt de ziel gevangen in het rad van geboorte en dood, in de vruchten van de handelingen van het ego. Het labyrint der wereld kan pas verlaten worden als ‘de draad van Ariadne’ gevonden wordt, als er gnosis is. De muren van Sarbug symboliseren het totaal gekluisterd zijn van de ziel aan de stoffelijke wereld. In Het labyrint der wereld heeft de Tsjechische filosoof, theoloog en pedagoog Jan Amos Comenius (1592-1670) de zinloosheid beschreven van het ronddolen van de mens in de doolhof der verschijnselen, maar ook de bevrijding daaruit.32

 

Twee gidsen en Egypte

Twee gidsen vergezellen de prins tijdens zijn afdaling naar Egypte. Dit zijn de kwaliteiten van de ziel: het innerlijk zien van het Licht (de goddelijke natuur) en het innerlijk horen van de goddelijke Naam. Die twee kwaliteiten ‘gidsen’ de prins door de stoffelijke wereld (Maishan, Babel en Sarbug). Daarna komt de prins in Egypte aan. In de tijd van het Oude Testament was Egypte voor de joden vooral het symbool van ballingschap, slavernij, afgoderij (verstoffelijking) en zwaar voedsel. Jesaja 19:1 spreekt over ‘de afgoden van Egypte’ en in Jesaja 31:3 staat: ‘De Egyptenaren zijn mensen, geen goden.’ In zijn Allegorieën van de wet (hoofdstuk II, paragraaf 59) zegt de joods-hellenistische filosoof Philo van Alexandrië (1e eeuw n. Chr.) dat Egypte het symbool is van het stoffelijk lichaam.33 Echter, Egypte is ook het land van de inwijdingstempels en piramides, het land waar Abraham, Mozes, Aäron en Jozef werden ingewijd en waar Mozes het joodse volk uit de slavernij bevrijdde.34 In Egypte verlaten de twee gidsen de prins. De ziel is nu afgedaald tot in het nadir van de stof en raakt daardoor tijdelijk de kwaliteiten van het innerlijk zien van het Licht en het innerlijk horen van de goddelijke Naam kwijt.

 

De verborgen parel en de slang

In Egypte, het land van de inwijdingstempels en piramides en tegelijkertijd het land van verstoffelijking, moet de prins de ene parel zoeken en van daaruit terugbrengen naar huis. Die parel bevindt zich midden in de zee, omringd door de luid sissende slang. Midden in de zee der veranderingen, in de uiterlijke wereld der verschijnselen, in het lichaam (dat elk moment verandert) is de parel verborgen. ‘Maar het Rijk, het is het binnenste en het is het buitenste van jullie,’ zegt Jezus in logion 3 van het Evangelie van Thomas.35 Maar de luid sissende slang (de onophoudelijke verlangens, wensen en emoties van de menselijke geest) weerhoudt de prins ervan de parel te pakken, het Zelf te realiseren. De parel is Manda d’Haije, het Absolute, het Zelf, door Jezus ‘het Rijk’ genoemd, de Geest die alles doordringt. En in Egypte (de tempel van het lichaam) wordt die parel gevonden. De parel symboliseert de gnosis die tot bevrijding voert en is tevens de realisatie ervan. Talloos zijn de mythen waarin een slang of draak een kostbare schat bewaakt bij de levensboom. De slang of draak is de kracht van de begeerte die ‘verslagen’ (getransformeerd) dient te worden in het lichaam. Pas dan geeft de gevleugelde slang (het gesublimeerde slangenvuur of kundalinivuur in het ruggemergkanaal) de schat (Zelfrealisatie) prijs.

 

In de alchimie is de slang of draak bekend als symbool van de oermaterie waarin de geest verborgen is. In het alchimistisch-kabbalistisch traktaat Uraltes chymisches Werk van rabbi Abraham Eleazar zijn enkele kopergravures en houtsneden opgenomen waarin de slang een centrale rol speelt.36 Rabbi Eleazar  beschrijft hoe de materia prima (de eerste materie of oerstof) in haar laatste fase de steen der wijzen (Godrealisatie) bevat. In de Egyptische mysteriën was deze geheimenis al bekend. Op een van de kopergravures bij het werk van Eleazar zien we hoe in de vorm van een halve cirkel de onderste slang met zijn bek de staart vastgrijpt van een gevleugelde slang, die de bovenste halve cirkel vormt. De gevleugelde slang draagt op zijn kop een kroon en heeft op zijn beurt de staart van de onderste slang vast. Het geheel symboliseert de cirkelgang van geest en stof, van leven en dood, in de alchimie meestal uitgebeeld als de slang die in zijn eigen staart hapt (de ouroboros). De materia prima (de slang) verbergt het geheim van de parel, ‘de steen der wijzen’ ofwel onvernietigbare, tijdloze Geest, die zich cyclisch in het spel van vormen en namen in tijdruimte openbaart. Op de achtergrond van de gravure staat een levensboom. Tussen de twee takken van de kruin staat de Duitse tekst Vereinige dies (Verenig dit): symbool van de innerlijke transformatie van dualiteit in eenheid, een proces dat zich afspeelt in het lichaam. Onder de Duitse tekst en onder de twee onderste takken, links en rechts van de stam, staan Hebreeuwse letters. Links op de voorgrond een bloem, symbool van de realisatie van het opus magnum, het ‘grote werk’ (afbeelding 2). Soortgelijke symboliek vinden we ook bij de Duitse alchimist Lambsprinck (17de eeuw), wiens naam mogelijk in relatie stond met een van de esoterische ordes van ‘Het Gulden Vlies’.37 In zijn Libellus de lapide philosophico (‘Werkje over de filosofische steen’) zien we in het zesde emblema de ouroboros in het woud (het lichaam). Hier een gevleugelde slang die in zijn eigen staart hapt, symbool van de geslaagde transmutatie van sterfelijkheid in onsterfelijkheid (afbeelding 3). De steen der wijzen ofwel Zelfrealisatie is enkel te vinden in de cirkelgang van geest en stof, die beide manifestaties zijn van het grondeloze Ene, het Zelf. Boven het emblema staat in het Latijn: Hoc verè est magnum miraculum et cita fraus, In venenoso Dracone summam medicinam inesse. Sexta Figura. Dat wil zeggen: ‘Dit is naar waarheid het grote wonder en de snelle list; in de giftige draak (slang) is het hoogste geneesmiddel. Figuur zes.’ En daaronder: Mercurius rectè et chymicè praecipitatus vel sublimatus, in sua propria aqua resolutus et rursum coagulatus. Dit betekent: ‘Het gesublimeerde kwik (Mercurius), opgelost in zijn eigen water en opnieuw samengevoegd.’ De geest van Mercurius (Hermes Trismegistus) ofwel het goddelijk bewustzijn manifesteert zich uitsluitend door het oplossen van het ego. Het geheim van dit proces ligt verscholen in het lichaam van de mens, in het innerlijk slangenvuur. Dit vuur kan werken als een gif als het ego ermee verbonden is, maar als het gesublimeerd wordt in ‘de steen der wijzen’ (Zelfrealisatie), is het ’t hoogste geneesmiddel.

 

Een vreemdeling tussen de andere gasten

In Egypte aangekomen, verlaten de twee gidsen de prins. Door de verstoffelijking van de ziel verdwijnen de kwaliteiten van het innerlijk zien van het Licht en het innerlijk horen van de goddelijke Naam. Regelrecht gaat de prins op de slang af. Zolang de ziel nog niet volledig geïdentificeerd is met de wereld der vormen, heeft ze nog weet van haar opdracht in de wereld en poogt zo spoedig mogelijk de parel, de Geest, in de materie te ontdekken. Maar de slang blijkt gevaarlijk te zijn. Hij sist luid. Tijdens de zoektocht naar de waarheid verschijnen veel ‘sissende’ verlangens. De prins acht het beter om eerst in een herberg in de buurt van de slang te overnachten en te wachten tot de slang in slaap valt en dan de parel van hem weg te nemen. Hij voelt zich eenzaam en alleen, een vreemdeling tussen de andere gasten in de herberg. Zolang in de ziel nog de preherinnering aan haar ware afkomst leeft, voelt ze zich eenzaam, alleen, een ‘vreemdeling’ in de ‘herberg’ van het leven. De wereld is niet bedoeld om er zich te vestigen, maar om de parel van waarheid te vinden. ‘De wereld is een brug. Ga er over, maar ga er niet op zitten,’ zei Jezus.38 Maar de mens dook geheel onder in de materie, vereenzelvigde zich ermee, bouwde huizen, wolkenkrabbers, kantoren en grote steden, schiep banen en betrekkingen, creëerde een uiterst gecompliceerde maatschappij, vormde legers om zijn bezittingen en verworvenheden te verdedigen, roeide soortgenoten en allerlei andere levende wezens uit, isoleerde zich van zijn medeschepselen, plunderde en vergiftigde de aarde en vergat de opdracht van de parel. Tot op de dag van vandaag geeft hij de voorkeur aan schijnzekerheden van beurzen en banken, van verzekeringen, ziekenfondsen en pensioenfondsen. De zielenmens echter voelt zich altijd een vreemdeling in de wereld.

 

De ontmoeting met de vrijgeborene

Maar de prins ontmoet in de herberg ‘een vrijgeborene’ (een ingewijde), een stamgenoot, eveneens afkomstig uit het Oosten. In de mysteriën werd de ingewijde die zich had vrijgemaakt van de ketenen van de stof een ‘tweemaal geborene’ of ‘vrijgeborene’ genoemd. De eerste geboorte is de biologische geboorte uit de moeder; de tweede is de geboorte uit de geest, waardoor een ziel een ‘vrijgeborene’ wordt. Voor de mandeeërs was de doop met water de aanzet tot de tweede geboorte, die voltrokken wordt in de geest. Johannes de Doper zegt dat hij doopt met water, maar dat degene die na hem komt (Jezus) zal dopen met ‘heilige geest en vuur’ (Mattheüs 3:11). En in zijn nachtelijk gesprek met Nicodemus zegt Jezus tegen Nicodemus: ‘Als iemand niet geboren wordt uit water en geest, kan hij het rijk Gods niet binnengaan. (Johannes 3:5). De ‘doop uit water en geest’ symboliseert de totale innerlijke transformatie in de mens. Jezus droeg de kennis daarvan over aan zijn leerlingen in de mysteriën van het licht.

De prins sluit vriendschap met de vrijgeborene, die hem ongetwijfeld als een meester de weg tot bevrijding onderrichtte. Maar de vrijgeborene waarschuwt hem voor de Egyptenaren en voor de omgang met ‘onreine mensen’ (zij die zich identificeren met het lichaam en zich uitsluitend op de stoffelijke wereld richten).

 

De vleespotten van Egypte en de diepe slaap

Om te voorkomen dat de Egyptenaren argwaan zouden krijgen, kleedt de prins zich hetzelfde als zij, dat wil zeggen, is volledig in de stof geïncarneerd. Door zijn stoffelijk lichaam valt het niet meer op dat hij afkomstig is uit het Oosten, het rijk van het licht. Maar algauw merken de Egyptenaren dat hij geen landgenoot is, hun wereldse aard niet heeft. Ze misleiden hem en geven hem van hun voedsel. Daardoor vergeet de prins dat hij een koningszoon is en vergeet zijn zoektocht naar de parel. Hij dient nu de koning van Egypte: zijn geest is van deze wereld geworden. Voor de spirituele mens is er altijd het gevaar het ‘voedsel’ te eten van de wereldse mensen, door de wereldse geest beïnvloed  te worden, wat zich ook uit in de stoffelijke voeding. In Genesis 1:29 zegt Jahwe God: ‘Zie, Ik geef u al het zaaddragend gewas op de hele aarde, en alle bomen met zaaddragende vruchten; die zullen u tot voedsel dienen.’ Geleidelijk echter nam de mens vlees als voedsel, begon sterke drank te gebruiken en steeds meer gedenatureerd voedsel tot zich te nemen. Na een lang evolutieproces schiep hij een voedselindustrie met onvolwaardig voedsel voor geest en lichaam, vol chemicaliën, vaak bestraald en gemanipuleerd en in de veelgeprezen magnetron volledig beroofd van alle energie. Hamburgers in allerlei soorten lijken voor tallozen de nieuwe goden van de wereld; men beseft niet dat alle voedsel goddelijk is, zoals in de Taittiriya-upanishad staat: ‘Zij die voedsel als brahman beschouwen, verkrijgen werkelijk alle voedsel,’39 met andere woorden: zullen nooit gebrek aan voedsel hebben. En tijdens het proces van industriële voedselbereiding wordt vooral de dieren tomeloos leed aangedaan en wordt de aarde ernstig vervuild. Door eindeloze verlangens gevoed, nemen de zintuigen dagelijks snel allerlei nieuwe ‘voeding’ tot zich, via beelden, klanken, kleuren, gevoelens, geuren en smaken. Een bombardement op de zintuigen, dat de mens doet vergeten wie en wat hij is. Hij is in slaap gevallen, zelfs als hij niet slaapt. Zo werd de mens slaaf van de wereld. Hij vergat zijn goddelijke afkomst en dient ‘de koning (de machten) van deze wereld’, door Jezus ‘de prins der duisternis’ genoemd, die zijn bestaanrecht ontleent aan de egogerichte mind. 

 

De juiste voeding

Om het spirituele pad te gaan is juiste voeding nodig, geestelijk en lichamelijk. In de veda’s wordt verhaald dat voedsel onze geest en ons lichaam bepaalt. Er wordt onderscheid gemaakt tussen drie soorten voedsel: tamasisch voedsel (veel vlees, zwaar en vet eten, vis, verschaald of dood gekookt voedsel, sterke drank); rajasisch voedsel (scherpgekruide en pikante spijzen; vlees, vis, sterke drank) en sattvisch voedsel (vegetarisch voedsel; granen, groente, kiemen, fruit, groente- en fruitsappen, bronwater, geen alcohol).40 Bhagavad Gita XVII,8-10 vermeldt deze drie soorten voedsel nadrukkelijk.41 Het voedsel dat de prins van de Egyptenaren krijgt, verwijst naar ‘de vleespotten van Egypte’ (Exodus 16:3). Het bestaat uit zwaar voedsel, roesverwekkende drank en talloze andere prikkelingen voor de zintuigen, die iedere herinnering aan wie en wat de prins is, doen vervagen. De prins valt in een diepe slaap. Het is de slaap van vergetelheid, teweeggebracht door een dronk uit de rivier der vergetelheid, door de verbinding met de wereld. In veel sprookjes komen we het motief van het ‘in slaap vallen’ tegen, zoals in Doornroosje.

 

De gezegelde brief en het Woord

De ouders van de prins sturen een gezegelde brief waarin ze hem aansporen te ontwaken en op te staan uit zijn slaap, zich weer te herinneren wie en wat hij is en dat hij naar Egypte is gestuurd om de parel te halen. Hij moet zich losmaken van de slavernij van Egypte, de wereld van verlangens, en gaan beseffen dat verlangens voortkomen uit identificatie met naam en vorm. Steeds zijn er avatars, boeddha’s, leraren, verlichten, mystici, gnostici en mysteriescholen die de mens het pad tot bevrijding onderrichten. Het zijn de levende brieven die verzonden worden vanuit het Ene, de verklankingen van het ene Woord; het Woord dat steeds weer ‘vlees’ wordt. Ieder mens is een ‘brief’ van het goddelijke, een blauwdruk van het Ene. De boodschap in de brief aan de prins is één met de boodschap die in zijn hart was gegrift bij zijn vertrek uit het ouderlijk huis. ‘Zoet is het Woord Gods, als het oren vindt die horen. Zijn woonplaats is het hart van hen die matig zijn en rein,’ luidt een manichese psalm.42 In de gestalte van een adelaar (de geest) vliegt de brief naar de prins toe en begint te spreken (wordt Woord), waardoor de prins uit de diepe slaap ontwaakt. ‘Draag mij op Uw vleugelen opwaarts. Gij, Arend, vlieg met mij naar de hemelen! Doe mij aan het stralende gewaad. Breng mij als geschenk tot Uw Vader,’ luidt een andere manichese psalm.43 Het allesdoordringende Woord heeft het hart van de prins geraakt. De gezegelde brief heeft de boze kinderen van Babel (het gif van de mind) en de tirannieke demonen van Sarbug (de greep van de wereld) doorstaan. De muziek van het Woord wordt weer innerlijk gehoord. De innerlijke terugkeer van de prins als ‘verloren zoon’ is begonnen. De prins kust de brief. Hij wordt er één mee, één met de hartenklank van zijn ouders en van zijn oudere broer (zijn geestelijk archetype dat thuisbleef in de geestelijke wereld). De herinnering wie hij is, keert volledig terug en de opdracht wordt vervuld. De luid sissende slang (de wereld met haar sissende verlangens) wordt betoverd door de namen van zijn ouders en zijn broer over hem uit te spreken.

Het uitspreken of herhalen van de goddelijke naam als bezwering van allerlei gevaren in de wereld van verlangens is in veel religies bekend. De Egyptenaren herhaalden de naam van Thoth, de hindoes kennen het Aum als mantram, de eerste christenen herhaalden de naam van Jezus in het Jezusgebed en de Sikhs herhalen het woord Nam als bescherming tegen allerlei gevaren. Filippus zegt in verband met de naam:

 

Eén enkele naam wordt in de wereld niet uitgesproken:

dat is de naam die de Vader aan de Zoon gegeven heeft.

Deze staat boven alle namen.

Het is de naam van de Vader.

Want de Zoon zou geen Vader kunnen worden

als hij zich niet zou bekleden met de naam van de Vader.

Wie deze naam heeft,

kent hem wel,

maar spreekt hem niet uit.

Wie hem echter niet heeft,

kent hem ook niet.44

Evangelie volgens Filippus, paragraaf 12

 

Het lichtkleed en het purperen bovenkleed herkregen

Door het vinden van de parel komt het rad van geboorte en dood tot stilstand. Het vuile en onreine kleed wordt afgeworpen. Dat wil zeggen dat al het vuil en de onzuiverheden die ontstonden door identificatie met het lichaam als de huid van een slang kunnen worden afgelegd, en achtergelaten kunnen worden in Egypte, het land van de wereldse mensen, die gehecht zijn aan het lichaam (vergelijk Efeziërs 4:22-24; Colossenzen 3:9-12). De innerlijke terugtocht naar het licht is begonnen. De brief (het bevrijdende Woord), die hem wekte uit zijn slaap, gidst de prins op weg naar huis. Dankzij de kostbare parel ofwel goddelijke gnosis (Manda d’Haije) kan de prins zijn lichtkleed, zijn oorspronkelijk gewaad, herkrijgen. Dankzij de doop in de wateren der verandering en de doop van de Heilige Geest (de adelaar) wordt de ‘mantel zonder naad’, het ‘naadloze Zelf’, gerealiseerd. Al het andere is slechts illusie. De brief leidt hem met zijn licht naar het innerlijk licht, ‘want hij schitterde voor mijn ogen, op lichtende zijde geschreven. En door zijn woord leidde hij mij.’ De brief is het gepersonifieerde Woord dat overeenstemt met wat in het hart van de prins geschreven staat. Nu kan de ziel alle stoffelijke gebieden veilig passeren, alle laatste smetten in zichzelf zuiveren. Sarbug, Babel en Maishan zijn uiteindelijk niets anders dan toestanden in de eigen geest. Vanuit de hoogten van Warkan (Hyrcania), vanuit de Geest, die boven alle dualiteit verheven is, worden hem via twee schatbewaarders het lichtkleed en het purperen bovenkleed toegestuurd. De twee geestelijke vermogens, het innerlijk zien van het Licht en het innerlijk horen van de Naam, zijn als twee schatten weer in de ziel teruggekeerd, gesymboliseerd door ‘de twee schatbewaarders’, die eerst als ‘twee gidsen’ met de ziel meereisden tot Egypte (verstoffelijking). Als kind was de prins zich niet bewust van zijn goddelijke kleding (de lichtende straling van het Zelf, van waaruit de ziel altijd leeft). Maar nu hij volwassen is geworden, volledig door de stoffelijke wereld is getrokken en alle aspecten van het leven heeft leren kennen, lijkt het lichtkleed op zijn spiegelbeeld: ogenschijnlijk twee gestalten, is er in feite maar één; zoals ook de twee schatbewaarders twee gestalten lijken te zijn, maar in feite één zijn. Zodra het Zelf is gerealiseerd (eigenlijk kan het Zelf niet ‘gerealiseerd’ worden, omdat het altijd ís), is er maar één werkelijkheid. Iedere vorm van dualiteit is achtergelaten. Op het lichtkleed is ‘overal de beeltenis van de koning der koningen’ te zien: alles weerspiegelt zich in alles. Er is alleen maar God. Dat. ‘Dit ben jij,’ zegt het lichtkleed. Tat tvam asi (Dat zijt ge), zeggen de upanishads. Soham (Hem ben ik) leert de vedanta. Atman en brahman zijn één. Het eigen wezen valt samen met het Zelf. Het lichtkleed en de prins (de ziel) zijn één. Er is enkel het stralende Zelf. De vader van de prins zal tot slot met zijn zoon naar ‘de poort van de koning der koningen’ gaan; tot in het hart van de ongrondelijke, universele liefde, het Absolute Licht, waarvan de parel en de klederen de kostbare symbolen zijn. Daar zal de ziel in het pleroma (de volheid van God) voltooid worden. Dan is er geen geboorte meer, geen dood, geen tijd, geen ruimte, geen klederen die worden aangetrokken of uitgetrokken. Zijn. Bewustzijn. Absolute vrede.

 

Dat is de opstanding uit de dood.45

Dat is de verlossing uit gevangenschap.

Dat is het opstijgen naar de hemel.

Dat is de terugweg tot de Vader.46

    Verhandeling over de ziel

 

En de heiland sprak:

‘Kom, gij meest kostbare parel,

ga binnen in de schatkamer van eeuwig leven.’47

De hemelvaart van de Maagd

 

Ik verblijd mij zeer in de Heer, mijn ziel juicht in mijn God,

want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils,

met de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omhuld…’

    Jesaja 61:10

 

Zij zullen met Mij in witte gewaden wandelen,

want zij zijn waardig.

Wie overwint, zal dus met witte gewaden bekleed worden,

nimmer zal Ik zijn naam uitwissen uit het boek des levens.

Apocalyps 3:4-5

 

 

In hoeveel zeeën van het leven

zal ik nog moeten onderduiken

om te vinden wat in golfslag van tijd

reeds tijdloos verborgen ligt?

 

Hoeveel nutteloze parels

zal ik nog kopen en verkopen

om te vinden de ene parel

in de holte van mijn hart?

 

O koopmansgeest,

die alles wil behouden

en pas prijs kan geven

als de ene parel zichtbaar wordt.

 

Ik werp u uit mijn huis

en met u,

al die waardeloze parels van de wereld,

die schitteren van onwetendheid.

 

Geen wereldse schat nog

kan mij ooit bekoren,

ik, die het stralende Zelf ben,

getooid in de mantel van het Ene.

 

Nooit werd ik geboren,

nooit zal ik sterven.

Het wentelende levensrad

draait niet voor mij.

 

Waar ik ook kijk:

overal de parel van het Ene,

overal licht in licht,

tot in de grootste duisternis.

 

Nimmer verloor ik mijn glans,

Nimmer verliet ik mijn thuis.

Nimmer trok ik andere klederen aan of uit.

Nimmer kwam ik weer terug.

 

Nimmer werd er een parel verborgen.

Nimmer werd er een parel gevonden.

Ik ben het stralende Zelf.

Alles straalt door Mij.

 

Noten

1. Nag Hammadigeschriften I (1994), p. 176.

2. Ibid., p. 183. In paragraaf 19 is Christus meer dan de optelsom van Jezus en Nazarener. In paragraaf 47 worden Nazoreeër en Nazarener naast elkaar gebruikt.

3. De Latijnse naam voor johannesbroodboom is Ceratonia siliqua. De johannesbroodboom duidt op de verbondenheid met het volksgeloof dat Johannes de vruchten van deze boom at. Zie ook: Messing (2000), p. 152.

4. Resp. Nieuwtestamentische apocriefen, (ed.) Bakels (1922), dl. 1, p. 296; Apokriefen van het Nieuwe Testament I, (ed.) Klijn (1984), p. 23. De citaten uit het Evangelie van de Ebionieten zijn terug te vinden in Panarion haeresion (‘Medicijnkastje tegen dwaalleringen’) van kerkvader en ‘ketterjager’ Epiphanius (ca. 315-403). Hierin worden zo’n tachtig (veelal gnostische) ‘ketterijen’ bestreden.

De Ebionieten waren ‘tot het christendom bekeerde joden. Ebionieten betekent “armen”. Hun basisbeginselen waren: armoede, vegetarisme, besnijdenis, sabbatviering, verwerping van offers, verachting van het Oude Testament’ (Nieuwtestamentische apocriefen, dl. 1, p. 295).

5. Apokriefen van het Nieuwe Testament I (1984), p. 22.

6. Cf. Het Evangelie van Thomas (1999), p. 47-50.

7. Resp. Nieuwtestamentische apocriefen (1922), dl. 1, p. 296; Apokriefen van het Nieuwe Testament I (1984), p. 24.

8. De talmoed (Hebreeuws: ‘leren’, ‘onderwijzen’) bevat de schriftelijke vastlegging van allerlei discussies die een aantal eeuwen door rabbijnen gevoerd zijn over de praktische toepassing van de thora (wet van Mozes) in het dagelijks leven.

9. Flavius Josephus over Galilea: ‘Historie van den oorlog der Jooden tegen de Romeynen’, Boek II, hoofdstuk XLII en Boek III, hoofdstuk IV, in: Alle de werken (1975), resp. p. 592-593 en p. 598-599.

10. Cf. Messing (1977), p. 23-76.

11. Cf. Messing (2000), p. 144-169.

12. Cf. Freitag (1966), p. 42-64; Mani (1997), p. 209-215.

13. Resp. Apokriefen van het Nieuwe Testament II, (ed.) Klijn (1985), p. 64 en p. 126-131; Gnosis, (ed.) Hörmann (1989), p. 98-104; The Hymn of the Soul, (ed.) Bevan (1897); De pelgrimstocht van de ziel, (ed.) Spierenburg (1998); The Robe of Glory, (ed.) Davidson (1992).

14. Zie hiervoor ook: Het Evangelie van Thomas (1999), p. 44-58.

15. Cf. The Robe of Glory (1992), p. 5.

16. De pelgrimstocht van de ziel (1998), p. 7.

17. Zie noot 12 en 13 en Nieuwtestamentische apocriefen, (ed.) Bakels (1923), dl. 2, p. 306-313. Bakels volgt de Griekse tekst.

18. Hier is de Syrische tekst gevolgd. In het Grieks staat dat zijn ouders hem het lichtkleed  ‘aandeden’. Andere benamingen voor ‘het lichtkleed’ en ‘het purperen bovenkleed’ in de geraadpleegde vertalingen: ‘de mantel vol edelstenen, overdekt met goud’ en ‘de toga, geel van kleur’; ‘het lichtende gewaad, bezet met edelstenen’ en ‘de gouden mantel’; ‘de mantel der (hemelse) glorie’ en ‘de purperen toga’; ‘het met edelstenen bezette en met goud bewerkte gewaad’ en ‘de goudgele mantel’.

19. In het Grieks staat het omgekeerde: ‘Ik [de prins dus] waarschuwde hem voor de Egyptenaren…’

20. In het Grieks wordt over ‘broers’ gesproken.

21. De rechterhand duidt op het licht, het goede. De linkerhand wordt in relatie gebracht met het duistere, het kwade. Het zegelen met de rechterhand is symbool van de beschermende kracht. Sommige vertalingen spreken enkel van het ‘zegelen’ van de brief, of van het zegelen met de ‘rechterduim’. De duim als krachtigste vinger symboliseert hier de koninklijke macht en kracht. (Vergelijk de Romeinse keizers die tijdens de gladiatorengevechten in de arena met opgeheven duim beslisten dat iemand mocht blijven leven, en met de duim naar beneden gericht dat iemand gedood moest worden.) Vergelijk Johannes 6:27; zie hiervoor ook: Messing (2000), p. 136-137.

22. De brief was geschreven op een zijden doek.

23. Hyrcania. Dit was een hoog berggebied dat boven Maishan lag, aan de zuidkust van de Kaspische Zee.

24. Kennis in de betekenis van ‘gnosis’.

25. De tekst van deze regels is onzeker. Hier is Davidson gevolgd. Geen enkele geraadpleegde vertaling is hetzelfde.

26. Volgens Bakels is de laatste zin wellicht later toegevoegd. ‘Ze bederven de indruk van het slot en zijn ook in volmaakte strijd met het vorige. Daar (o.a. in hoofdstuk 110) is de Vader dezelfde als de Koning der koningen, terwijl in dit wellicht toegevoegde slot de Vader als een onderdaan van de Koning wordt voorgesteld.’ (Nieuwtestamentische apocriefen (1923), dl. 2, p. 313) In de vertalingen van Freitag en Hörmann komt deze laatste zin niet voor. Maar ‘de koning der koningen’ kan ook worden opgevat als de ‘ongrond aller dingen’ (Boehme) of het eeuwige brahman (upanishads). De koning (als vader) symboliseert hier dan de gemanifesteerde schepping op gepersonifieerd niveau.

27. Cf. Messing (1981), p. 20; idem (1999), p. 47-48.

28. Cf. Nag Hammadigeschriften I (1994), p. 184 (Evangelie volgens Filippus, paragraaf 48).

29. Het woord ‘klederen’ is een vertaling van het Griekse woord himatia.

30. Het woord ‘onderkleed’ is een vertaling van het Griekse woord chiton.

31. De pelgrimstocht van de ziel (1998), p. 29.

32. Cf. Comenius [na 1925]. Over het labyrint: Cordier (1999); Messing, M., ‘Het geheim van het labyrint’, in: Prana 83 (juni/juli 1994), p. 17-29.

33. Philon d’Alexandrie (1962), p. 135.

34. Cf. Messing (1981), p. 26-34; idem, ‘De wonderen zijn de wereld nog niet uit. Oosterse en westerse magie’, in: Prana 63 (februari 1991), p. 48-50.

35. L’Évangile selon Thomas (1975), p. 55.

36. Cf. Biedermann (1973), p. 54 en 188-205; Van Lennep (1984), p. 142 en p. 235-236. Dit traktaat werd voor het eerst uitgegeven in Erfurt (1735) en daarna in Leipzig (1760). De gravures zijn van Johann Gottfried Boeck en J.E.B. Weijss.

37. Van Lennep (1984), p. 224.

38. Apokriefen van het Nieuwe Testament I (1984), p. 18. Dit is een inscriptie die in 1900 werd ontdekt aan het zuidelijk hoofdportaal van een moskee te Fathpur-Sikri, 175 km ten zuiden van New Delhi.

39. Taittiriyopanisad (z.j.), p. 104.

40. Cf. Messing, M., ‘Is de mens wat hij eet?’, in: Prana 70 (april/mei 1992), p. 72-80.

41. Cf. Sreemad-Bhagawad-Geeta (1967), dl. 4, p. 82-84.

42. Mani (1997), p. 78.

43. Ibid., p. 97.

44 Nag Hammadigeschriften I (1994), p. 173-174.

45. De ‘dood’ is de ‘geestelijke dood’. Vergelijk de woorden van Jezus: ‘Laat de doden de doden begraven.’

46. Nag Hammadigeschriften II (1995), p. 403.

47. The Robe of Glory (1992), p. 110. De hemelvaart van de Maagd is een apocrief geschrift van het Nieuwe Testament. Het handelt over de dood van Maria, de moeder van Jezus, geschreven door een onbekende auteur uit de oudheid. Ook in deze tekst treffen we het beeld aan van de ziel die uit Egypte ontsnapt, aangetrokken door een ‘zoete melodie’ (p. 109).

 

Bibliografie

Apokriefen van het Nieuwe Testament, (ed.) A.F.J. Klijn, J.H. Kok, Kampen, 19842-1985, 2 dln.

Biedermann, H., Materia Prima. Eine Bildersammlung zur Ideengeschichte der Alchemie, Verlag für Sammler, Graz, 1973.

Comenius, J.A., Het labyrint der wereld en Het paradijs des harten, W.N. Schors, Amsterdam, z.j. (fotomechanische herdr. ed. [na 1925]).

Cordier, J.-N., Le labyrinthe: tradition et symbolisme, Lacour, Nîmes, 1999.

Het Evangelie van Thomas, (ed.) E. Van Ruysbeek en M. Messing, Ankh-Hermes, Deventer 19993, herz. dr. (Hermesreeks 2).

L’Évangile selon Thomas, (ed.) J.-E. Ménard, E.J. Brill, Leiden, 1975 (Nag Hammadi Studies 5).

Flavius Josephus, Alle de werken [etc.], De Banier, Utrecht, 1975 (facs. ed. 1722).

Freitag, K.E., Het Evangelie van Thomas. Het Lied van de Parel. Een esoterische beschouwing, Theosofische Uitgeverij, Amsterdam, 1966.

Gnosis. Das Buch der verborgenen Evangelien, (ed.) W. Hörmann, Pattloch, Augsburg, 1989.

The Hymn of the Soul contained in the Syriac Acts of Thomas, ed. A.A. Bevan, University Press, Cambridge, 1897 (Text and Studies V,3).

Mani, Lichtschat. Een bloemlezing uit manichese teksten, Rozekruis Pers, Haarlem, 1997.

Messing, M., De stilte die tot ons spreekt. Balanceren tussen tijd en tijdloosheid, Ankh-Hermes, Deventer, 1981.

- , Symboliek. Sleutel tot zelfkennis, Van Gorcum, Assen/Amsterdam, 1977.

- , Van levensboom tot kruis. Begintijd en eindtijd, Ankh-Hermes, Deventer, 19992 (Ankertjeserie 200).

- , Een zaaier ging uit. Over de parabels van Jezus, deel I, Altamira-Becht, Haarlem, 2000.

Messing, M. en M., Iedereen gaat dood, Elzenga, Tilburg, 19962.

Nag Hammadigeschriften, (ed.) J. Slavenburg en W. Glaudemans, Ankh-Hermes, Deventer, 1994-1995, 2 dln.

Nieuwtestamentische apocriefen of het nadere over Jezus, zijne ouders en apostelen [etc.], (ed.) H. Bakels, Maatschappij voor goede en goedkope lectuur, Amsterdam, 1922-1923, 2 dln.

De pelgrimstocht van de ziel. Een Oudsyrische vertelling over de evolutie van de ziel, (ed.) H.J. Spierenburg, Ankh-Hermes, Deventer, 1998.

Philon d’Alexandrie, Legum allegoriae, (ed.) C. Mondésert, Cerf, Parijs, 1962 (Les oeuvres de Philon d’Alexandrie 2).

The Robe of Glory. An ancient Parable of the Soul, (ed.) J. Davidson, Element, Shaftesbury/Rockport/Brisbane, 1992.

Sreemad-Bhagawad-Geeta. The Art of Right Action, (ed.) Chinmayananda, Central Chinmaya Mission Trust, Bombay, 19673, 4 dln.

Taittiriyopanisad, (ed.) Swami Sarvananda, Sri Ramakrishna Math, Mylapore (Madras), z.j.

Van Lennep, Alchemie. Bijdrage tot de geschiedenis van de alchemistische kunst, Gemeentekrediet, Brussel, 1984 (uitgegeven naar aanleiding van de tentoonstelling ‘Alchemie’).