Er is hoop voor iedereen en nog gratis ook…


Mevrouw A. kwam voor het eerst bij me. Ze was een vrouw van middelbare leeftijd. Haar gezicht was als gebeeld­houwd, met sterke trekken, maar niet hard. Het was een mooi, kwetsbaar gezicht met wat droevige ogen. ‘De specialist is niet optimistisch’, zei ze. ‘Nu ik een uitzaaiing in de wervels heb, kunnen ze mijn leven wel rekken, maar ik kan niet meer genezen.’ Ze zweeg en ik zweeg ook.
‘Kunt u me misschien helpen om me zo lang mogelijk goed te houden?’ vroeg ze zacht.
‘Nee mevrouw’, zei ik beslist. ‘Ik ga uit van de veronderstelling dat iedereen, hoe ziek ook, weer beter kan worden. Ik weet niet of u het bent die in de prijzenklasse valt, maar ik ga niet bij voorbaat uit van een opgegeven zaak. Ik heb liever af en toe een teleurstel­ling, dan dat ik de instelling heb van: Dat gaat op den duur mis. Ze lachte me wat aarzelend toe.
 
‘Laat ik u iets vertellen’, vervolgde ik. ‘Jaren geleden had ik een lerares in de praktijk, die een borstamputatie had ondergaan. Een jaar na de opera­tie kwam ze bijna kreupel bij me bin­nen strompelen. Ze had erge pijn in de onderrug en ik liet meteen een bekken­foto maken. Er werd een pruimgrote uitzaaiing gevonden in een der bek­kenbeenderen. Het was een wonder dat er nog geen breuk was opgetreden. "U moet dit echt meteen laten bestralen", zei ik. Mijn patiënte was verontwaardigd.’
"Ik ben lerares Frans en ik stoom net mijn klas voor het eindexamen klaar. Voor dat soort dingen heb ik echt geen tijd!" ‘Ze strompelde nog steeds boos de kamer uit.’
 
‘Ikhoorde geruime tijd niets van haar en omdat ik niet goed met boze mensen kan omgaan, deed ik ook niets. Ik ver­moedde trouwens dat ze een andere arts genomen had. Wie schetst  mijn verbazing toen ze een jaar later vrolijk bij me binnen stapte. Ze was erg verkouden en wilde daar meteen iets aan doen want het eindexamen stond weer voor de deur. Ik informeerde voorzichtig naar haar heup. "0 die!" Ze snoof verachtelijk. "Dat is weer over gegaan. Ik heb u toch gezegd dat ik er geen tijd voor had!" Ze heeft nog jaren geleefd.’
Ikmerkte hoe mevrouw A gedurende het vertellen van dit verhaal wat voor­over op haar stoel was gaan zitten. ‘Tja’, zei ik mijmerend. ‘Vlak voor ik mijn huispraktijk opgaf in 1981 kwam een patiënte op het spreekuur. Ze vroeg me naar haar linker borst te willen kijken. Ze bleek een grote tumor te hebben, die in de oksel en boven het sleutelbeen was uitgezaaid. Bij onder­zoek in het ziekenhuis bleek ze ook botmetastasen te hebben. Ze was te laat om nog geopereerd te worden en voor niet-toxische tumor­therapie voelde ze niets. Ze ging thuis op bed liggen en zette zichzelf op een dieet dat voornamelijk uit de duurste bonbons en koekjes bestond.
Na een halfjaar, het was tegen Kerstmis, zocht ik haar eens op. "Ik heb een heerlijk leven", zei ze. "Zoveel aardige mensen komen bij me op visite. Ik heb nog. nooit zoveel aandacht gehad."
Na die eerste keer heb ik er een gewoonte van gemaakt haar ieder jaar met Kerstmis op te zoeken. Ze kwam langzamerhand weer op de been. De laatste keer dat ik haar zag was Kerst­mis 1997, zestien jaar nadat ik haar uitgezaaide tumor ontdekte. Het is een enig mens en we lachen samen heel wat af. Vorige week had ik haar aan de telefoon. Ze maakt het goed.’
 
De ogen van mevrouw A. stonden langzamerhand wat minder droevig en omdat ik nu toch op mijn praatstoel zat, vervolgde ik: ‘Dan was er die vrouw die bij me kwam met pijn in de linker schouder. Na enige krachtige overre­dingskunst lukte het me eindelijk haar ertoe te bewegen haar bovenlichaam te ontbloten. Meteen zag ik een zeer grote tumor in haar linker borst. Ook zij had vele kliermetastasen.
Ze weigerde zeer beslist alle therapie in het ziekenhuis, maar wilde wel op dieet gaan en supplementen nemen. Eigenlijk had ze maar één grote wens in haar leven. "Och, dokter, ik wil zo graag nog meemaken dat mijn dochter beter wordt." Dat was geen geringe wens. Haar dochter had een ernstige ano­rexia nervosa en was vel over been. Ze was ook bij mij in de praktijk. Maar zie, we hadden geluk en na een jaar was haar dochter genezen en de moeder leefde nog steeds.’
 
"Ach", zuchtte ze. "Wat zou het toch fijn zijn als ik nog mee mocht maken dat ze een vriend kreeg. Ze is mijn enige kind en ik wil haar zo graag gelukkig zien". ‘Het meisje zag er weer aantrekkelijk uit en na een jaar had ze een vriend.’ "Zou ik het huwelijk nog meemaken?" vroeg mijn patiënte. ‘Ja, toen het stel na een jaar trouwde was moeder er nog steeds.’ "Hebt u nog meer wensen?", vroeg ik haar. "O, dokter, ik zou zo graag nog een kleinkind zien." ‘Dat lukte eerst niet zo erg, maar na een jaar, ja hoor, daar werd haar dochter zwanger. Eindelijk kwam het kind, ongeveer vijf jaar nadat ik de fatale diagnose had gesteld. Het was een prachtige klein­dochter. Toen werd de moeder van de baby ziek en oma moest elke dag 4 kilometer fietsen naar haar dochter, deed daar het hele huishouden, fietste terug naar huis en deed daar haar eigen huishouden. Eindelijk was de dochter weer beter. Toen gebeurde er iets tragisch in het leven van deze patiënte. Het had met haar huwelijk te maken. Ze liet het hoofd hangen en binnen drie maanden stierf ze. Het laatste wat ik van haar zag, was dat ze tevreden in haar zie­kenhuisbed lag en haar kleindochtertje over de dekens kroop.’
De ogen van mevrouw A. begonnen te tintelen. ‘Ik geloof dat ik begrijp waar u heen wilt’, zei ze.
‘Ik heb een patiënte’, vervolgde ik, ‘die een geheel uitgezaaide borsttumor had. Ze was in een dermate slecht stadium dat ik mezelf afvroeg of het wel zin had aan therapie te beginnen. Maar ze wilde zelf erg graag. Ik verwachtte eigenlijk niet haar terug te zien, maar ze bleef komen, twee jaar lang. Toen ineens bleef ze weg. "Ze is eindelijk gestorven", dacht ik. Jammer, want ik vond het een gewel­dig aardig mens en ik verheugde me er altijd op als ze weer op spreekuur kwam. Ineens, na vier maanden kwam ze weer opdagen. "Waar bent u geweest", vroeg ik, verbaasd en opgelucht naar haar ronde, blozende gezicht kijkend.’
 
"Ik heb mijn hele leven een grote wandeling over de Chinese muur willen maken en dat heb ik gedaan ", zei ze voldaan. ‘Dat is inmiddels alweer twee jaar geleden en ze leeft nog steeds. Haar laatste uitstapje was, meen ik, naar de Hermitage in St. Petersburg.’
 
‘U wilt dus zeggen…’, begon mevrouw A. ‘Ik wil zeggen dat ik het met een Australische collega van me eens ben, die zegt dat sommige specialisten precies hetzelfde doen als de medicijn­mannen bij de Aboriginals. Als iemand hun woede heeft opgewekt nemen ze een botje en wijzen ze naar zo iemand. Dan schrompelt zo'n man letterlijk ineen en sterft binnen een paar weken. Deze collega zegt dat bij de diagnose 'kanker' twee dingen gebeuren. Ten eerste weet je dat je een gezwel hebt dat behandeld moet worden, maar op hetzelfde moment krijg je kanker in je ziel en dat is er veel moeilijker uit te krijgen.’
 
Ik zag dat mijn patiënte, nadat ik haar de therapie had voorgeschreven, veerkrachtiger de deur uitstapte dan ze binnengekomen was.
 
Laat ik het hier nog eens heel duidelijk zeggen: ‘Ik heb patiënten uit alle stadia blijvend terug zien komen, zowel in mijn eigen 45jarige praktijk als in de praktijken van mijn collega’s  in binnen- ­en buitenland. Er bestaat niet zoiets als: "genezen zit er niet meer in". Er is altijd hoop. Er zijn drie begrippen die geen tegen­deel kennen, omdat ze net als licht helemaal positief zijn: Geloof, Hoop en Liefde. Er bestaat gebrek aan deze dingen, maar er bestaat geen tegen­deel! Net zoals duisternis niet het tegendeel van licht is maar gebrek aan licht. U kunt het licht aanknippen, niet de duisternis. Zo kunt u hoop koesteren. Wanhoop is niet het tegendeel van hoop, maar gebrek aan hoop. Zo bestaat er ook geen "valse hoop". Ons, niet-toxische tumorartsen, wordt door de orthodoxie nogal eens verweten dat wij patiënten valse hoop geven. Nonsens! Hier op deze aarde is er pas geen hoop meer als je de laatste adem uitblaast. Vóór het uitblazen van de laatste adem is alles mogelijk. Als we de voodoo van "u kunt niet meer genezen" konden overwinnen en de kanker uit de ziel konden uitbannen, dan zouden de patiënten niet alleen een betere levenskwaliteit hebben, maar ook zouden er meer patiënten in leven blijven. Dat is mijn vaste overtuiging en ook mijn ervaring.’
In mijn vier voorbeelden die ik in dit artikel genoemd heb, deden drie patiënten helemaal niets aan therapie en de vierde deed zowel orthodoxe the­rapie als niet-toxische tumortherapie. Mijn conclusie is deze: Als alleen al een positieve instelling en de wil, om nog bepaalde dingen met je leven te doen, zulke wonderen kunnen opleveren, hoe­veel hoop is er dan niet voor hen, die bovenop die instelling nog een goed voedselpatroon hebben, prachtige supplementen innemen en hun levens­stijl krachtdadig veranderen! Er is hoop voor iedereen en hij is nog gratis ook. Tast toe lieve mensen en wel moge het u bekomen!


 
Auteur:© H.C. Moolenburgh