Terug naar de ziel

Interview met H.C. Moolenburgh


H.C. Moolenburgh is meer dan vijftig jaar huisarts en natuurgeneeskundig arts geweest.
Hij beoefende de zogenaamde ‘terreingeneeskunde’ die ziekte ziet als eindstadium van een al lang bestaande toestand.
Moolenburgh is een van de bekendste artsen van Nederland. Zijn bekendheid verwierf hij mede door zijn actieve houding op maatschappelijk gebied.
Het is aan hem te danken dat er na een lange, felle strijd geen fluor meer aan het Nederlandse drinkwater wordt toegevoegd.
H.C. Moolenburgh is auteur van een aantal boeken waarin hij zijn zienswijze als beoefenaar van de heelkunde beschrijft.




Mijn eerste vraag aan u is: Wat is volgens u de reden, de zin, de ‘ziel’ van ziek zijn?

Ja, over het algemeen gesproken had Moerman daar een mooi antwoord op.
Moerman zette op papier een horizontale streep neer en daarboven een verticale pijl naar beneden. Boven die verticale pijl stond ‘leven’. Hij zette dan onder die horizontale streep een verticale pijl naar boven en daar schreef hij ‘dood’ onder.
Moerman zei: ‘Wij zijn voortdurend uitgespannen tussen leven en dood, een mens is niet statisch gezond, maar er is een voortdurende spanning tussen de doodskrachten en de levenskrachten. De mens zit daar precies tussenin en hoort dus in balans te zijn.’
Ziek zijn betekent dat je balans om welke reden dan ook verstoord is. Dus ik geloof dat de reden van een ziekte altijd een balansverstoring is.
Hoe dan ook, ergens is een mens uit zijn evenwicht geraakt en dat kan zowel psychisch als lichamelijk zijn.
Als u vraagt naar de zin van ziek zijn, dan kan ik u zeggen dat ik aan mijn vele patiënten gezien heb dat ze uit hun ziekte altijd veranderd tevoorschijn kwamen. Ik heb het niet over een verkoudheid, maar over een echte ziekte.
Ik ben ervan overtuigd dat ziekte een leerproces is, dat te maken heeft met mens-zijn en ja, daarom zijn de ziekten ook zo enorm gevarieerd. Er zijn eigenlijk evenveel gevarieerde leerprocessen als er gevarieerde ziekten zijn.
Mensen reageren allemaal anders. Neem tien mensen met een chronische hoofdpijn, er zijn er geen twee die hetzelfde reageren. De een heeft de pest in, de tweede leert ervan, de derde doet het wat kalmer aan en de vierde, die gaat iets nieuws doen, maar met allemaal gebeurt er wel één ding: ze veranderen hun leven een beetje.
Het ziekteproces verandert hen en hun leven en als het een flinke ziekte is, is dat blijvend.
Ik heb dat, omdat ik gespecialiseerd ben in kanker, erg veel meegemaakt.
Mensen zeggen na hun kankerproces letterlijk tegen mij: ‘Ach... ik ben toch blij dat ik het heb meegemaakt. Ik had het toch eigenlijk niet willen missen, want daardoor heb ik een hele hoop dingen geleerd, die ik anders niet had kunnen leren.’
Samenvattend: A reden: balansverstoring en B zin: leerproces.

In hoeverre bepaalt de invloed van de liefde, zowel de innerlijke als de intermenselijke liefde, de genezing van de mens?

Ik vind liefde de grote genezer. Ik vind zelf het mooiste voorbeeld daarvan in de praktijk van het leven. Een kind van 3 jaar komt aanrennen, het struikelt ergens over, klapt tegen de grond en heeft een pijnlijke knie. Het zet een geweldige keel op, het doet ook pijn. De moeder pakt het kind op, zet het op haar schoot en zoent de knie. Op dat moment kijkt het kind tevreden om zich heen en de pijn is over! Dàt is voor mij het prototype van de manier waarop liefde werkt. De liefdevolle aanraking, de liefdevolle aandacht, de liefde tussen moeder en kind, ja, ik geloof dat ik geen beter voorbeeld heb dan dat.

Die twee vormen van liefde, de innerlijke en de intermenselijke, gaan die samen, is dat een combinatie?

Als een mens door pijn heen gaat of door verdriet, dan begrijpt hij plotseling de pijn en het verdriet van de ander beter en daardoor wordt zijn intermenselijke reactie beter.
Ik zal u een heel, heel pijnlijk voorbeeld geven.
Ik heb vijf kinderen gehad, vier zoons en een dochter. Die dochter is op 40-jarige leeftijd overleden aan een explosief kankerproces. Dat is een heel, heel dramatisch proces geweest en daarna ben ik veranderd. Ik heb als arts ontzettend veel mensen op mijn spreekuur gehad die geliefden verloren hadden. Dat probeerde ik wel in te voelen, maar het was toch altijd zo dat het bureau ertussen zat.
Na het verlies van mijn dochter, dat de ergste pijn is die er zo’n beetje is, zat ik niet meer tegenover hen maar zat ik naast hen aan de andere kant van het bureau.
Ik was letterlijk ook aan de andere kant van het bureau. Ik was iemand geworden die meeleed in de meest letterlijke zin van het woord, ik leed zelf ook en omdat ik het lijden zelf kende, begreep ik plotseling oh…dàt voel je dus.
Dat kun je niet voelen wanneer je dat zelf niet doorgemaakt hebt. Dat is ook een vorm van liefde waardoor je op een andere manier reageert. Vroeger sloeg ik wel eens een arm om een patiënt heen en zei dan: ‘Ik hoop dat het wat gaat’, maar dat was het dan. Het was goed bedoeld, het kwam vanuit het hart, maar het bleef van buitenaf… Na het leed is het van binnenuit gekomen.

Er zijn ook artsen die argwanend staan ten opzichte van een alternatieve geneeswijze bij kanker. Hebt u daar negatieve ervaringen mee?

Nee, nooit. Ik heb altijd de meest aangename betrekkingen met specialisten en oncologen gehad. Ik heb nooit moeilijkheden gehad. Ik heb natuurlijk wel altijd openheid van zaken gegeven en nooit gezegd: ik genees kanker. Ik heb altijd gezegd: ‘Jongen, jij breekt die kanker af, ik probeer die patiënt weer op te bouwen, laten we het samen zo goed mogelijk doen.’ Dat was een formule, die het eigenlijk altijd heeft gedaan. Ik heb nooit enige aanval op dàt punt gehad. Heel merkwaardig, andere collegae wel, maar ja misschien heb ik het anders aangepakt, ik weet het niet. Ja, het is zelfs zo dat ik heb meegemaakt dat in het Antoni van Leeuwenhoek-ziekenhuis, als een patiënt een enorm laag leucocytengehalte had door de chemotherapie, ze daar dan zeiden: ‘Ga even naar Moolenburgh, die knapt je weer op en dan kunnen wij weer doorgaan.’ Dus de samenwerking was heel aangenaam.

Hoe was uw praktijk bekend in Nederland en mogelijk in het buitenland?

Ja, ja, mijn patiënten kwamen uit alle delen van het land naar me toe en zelfs uit het buitenland. 
Omdat ik vloeiend Engels spreek, heb ik ook Engelse patiënten gehad. Negen jaar geleden heb ik in Engeland een interview gegeven aan een vrouw. Ik zei: ‘Wat zie je er slecht uit!’ Ze antwoordde: ‘Ja, ik heb een uitgezaaide darmkanker en ik zit midden in de chemotherapie.’ Daarop vroeg ik haar: ‘Heb je ooit aan iets anders gedacht, want met chemo heb je maar tien procent, ik voeg nog andere zaken toe.’
Die vrouw heeft hier vorige week twee dagen bij mij doorgebracht... Haar chirurg zegt altijd: ‘Jij bent mijn prijspatiënt’, maar hij weet niet wat hier allemaal is gebeurd!
Ik heb ook een aantal patiënten uit België gehad. Ik heb trouwens een Nederlands-Vlaamse artsengroep, waar ik altijd erg van geniet. We hebben nogal wat patiënten gedeeld.

Wat typeert nu uw vakmanschap? Is dat uw liefde, uw betrokkenheid, uw heel breed kijken?
Wat is uw ‘extra’?

Toen ik zes jaar was, wilde iedereen bakker worden, want daar kreeg je als kind voor niks krentenbrood!
Als kinderen mij vroegen: ‘Wat wil jij worden’, zei ik: ‘Dokter’… en ik wist niet eens wat dat betekende. Ik heb nooit iets anders willen worden. En het ‘extra’, dat is genade.
Ik heb ontzettend veel inspiratie uit de hemel gekregen.
Soms dacht ik, wat moet ik nu met deze patiënt? Dan kreeg ik het antwoord als het ware voorgeschoteld. Wat ik dan ging proberen, lukte vaak.
Ja, en die ingevingen kreeg ik vaak ’s morgens in bad! Plotseling zag ik: zó moet het.
Ik heb erg veel gestudeerd, maar ik beleef mezelf toch als een doorgeefluik.

Ik zal u eens een bijzonder voorbeeld geven. Ik heb een keer een jonge vrouw als patiënte gehad, die onderwijzeres was. Ze had hevige angstaanvallen en was al vier keer opgenomen geweest in psychiatrische inrichtingen en ze zou eigenlijk wéér opgenomen moeten worden.
Ze lag rillend van angst in bed en kon niets. Ze zei: ‘Ach dokter, ik wil niets’ en ik zei: ‘Maar wat moet ik dan met je beginnen?’
Ik werd ’s morgens wakker en nog tussen waken en dromen in zag ik een heel klein wit konijntje met bruine pootjes, een bruin snuitje en een bruin staartje over mijn dekens lopen. Ik dacht: wat loopt dáár nou? Aan mijn assistente, die om half negen kwam, zei ik: ‘Emilie, er is een klein konijntje, met bruine pootjes, een bruin snuitje en een bruin staartje, dat verder helemaal wit is, dàt konijntje wil ik hebben.’
Zij was net zo gek als ik, dus zei ze: ‘OK, maar dan ben ik straks wel te laat…’ Dat vond ik allemaal best.
Om ongeveer half tien kwam ze terug. Ze heeft me nooit verteld waar ze het vandaan had, maar ze had dat beestje.
Ik pakte het beet, zette het in mijn verloskoffertje en ging na het spreekuur naar die vrouw toe die met haar angsten nog steeds in bed lag.
Ik zei: ‘Ik heb iets voor u meegenomen. ’Ik pakte dat konijntje, zette het voor haar neer en toen zag ze iets wat nog kleiner en angstiger was dan zijzelf.
Prompt schoot ze uit haar angsttoestand. De angst was weg en is nooit meer teruggekomen, ze is nooit meer opgenomen. Tja, dat doe ík natuurlijk niet. Ik ben niet katholiek, maar protestant. Maar als ik katholiek zou zijn, dan zou ik zeggen: ‘Haar beschermengel heeft me even aangepord.’
Dat is het geheim, luisteren naar je innerlijke stem en dat heb ik altijd gedaan. Ook als het heel erg raar was, de gekste dingen, toch doen!

Ik heb eens een jongen gehad die hier kwam met zijn ouders. Hij was 8 of 9 jaar en had een ‘Duchenne-Aran’. Dat is een spierziekte waarbij langzaam alle spieren verlamd raken. Op hun 18e jaar zitten die kinderen in een rolstoel en ze worden ongeveer 22 jaar oud.
Een van de kenmerken van een ‘Duchenne-Aran’ is dat ze een ‘museau de tapir’ hebben, slappe bolle wangen en lippen die gaan tuiten. Ja, ze lijken dan een beetje op een tapir.
Ik zat ’s middags over die jongen na te denken en plotseling kreeg ik een ingeving. Wat is er eigenlijk met een tapir aan de hand? Ik heb toen de tapir in mijn dierenboek opgezocht en daar las ik dat de tapir uitsluitend leeft van palmbladeren.
Een 'Duchenne-Aran' is een stofwisselingsziekte en deze ziekte maakt verkeerde eiwitten aan.
Je kunt de ziekte ook in de urine herkennen omdat er een bepaalde stof in verschijnt.
Ik dacht: laat ik nu eens de tapir volgen en het kind die eiwitvoeding geven die een tapir tot zich neemt. Ik ga dat kind de rest van de eiwitten verbieden en laat het alleen kokosnoten als eiwitvoeding eten. Dat kan, mensen kunnen maanden op kokosnoten blijven leven als ze aangespoeld zijn op een onbewoond eiland. Die jongen heeft een jaar lang kokosnoten gegeten.
Er is nog nooit iemand beter geworden van een ‘Duchenne-Aran’, maar tot grote ergernis van de specialist genas dat kind. Ik heb hem laatst nog gezien, hij is nu 60 jaar en heeft zelf een kind, hij is volledig genezen.
Ik heb het daarna nog met andere ‘Duchenne-Arans’ geprobeerd, maar dat is niet gelukt. Met andere woorden, dit was een genezing speciaal voor hem.
Dus alert zijn, als er iets in je opkomt, niet denken dat het nonsens is, maar erop ingaan.

Wat zijn volgens u tegenwoordig de meest urgente rechtstreekse ziekmakers?

Een van de belangrijkste ziekmakers in de huidige tijd is het gedenatureerde voedsel. Dat voedsel kun je herkennen aan de lange plankwaarde. Het kan eindeloos op een schap blijven staan, je kunt het blijven verkopen, maar dat voedsel is dood!
Kijk, alle voedsel heeft enzymen in zich die het voedsel op een gegeven moment afbreken. Een biefstuk die je op de keukentafel laat liggen, is na vijf dagen aan het rotten. Fruit doet daar iets langer over, maar alles wordt op den duur door de enzymen, die erin zitten, afgebroken. Dat heeft de voedselindustrie heel goed begrepen. Die bereidt het voedsel zó dat de enzymen dood zijn. Maar die enzymen zijn het leven zelf. Je krijgt dus dood voedsel en dood voedsel is geen voeding maar vulstof. Je hebt er wel een vol gevoel van, maar het bouwt je lichaam niet op. Het brengt als het ware de ‘doodskracht’ van Moerman dichterbij.
Bovendien vind ik het een groot gevaar dat voedsel met kunstmest en pesticiden wordt bewerkt. Pesticiden blijven altijd in de schillen achter en die resten kunnen het lichaam enorm in de war brengen. Kunstmest doodt de bodembacteriën, maar het zijn juist de bacteriën die het leven uit de grond halen. Dus het leven komt dan niet in het voedsel terecht.
Stel, je neemt twee planten, een met kunstmest bemest en eentje die organisch verbouwd is. Ze zien er precies hetzelfde uit, maar toch heeft de eerste minder leven in zich dan de tweede en bovendien bevat de organisch verbouwde plant vier maal meer sporenelementen.



U heeft jarenlang en met uiteindelijk succes gestreden om toegevoegd fluor uit ons drinkwater te krijgen. Fluor, toegevoegd aan drinkwater, was toen een blinde vlek voor veel bestuurders.

Ja, en dat is in de Angelsaksische landen nog steeds het geval.
In Nederland hebben we gelukkig geen fluoride meer in het drinkwater, maar het wordt nog wel vaak schoongemaakt met aluminiumhydrochloride. Er zitten dus aluminiumresten in het water. Bovendien zit er nog veel meer troep in ons leidingwater.
Laatst gaf ik een lezing en ik vroeg aan de zaal: ‘Heren drinkt u kraanwater?’
‘Ja’, antwoordden de meesten. Ik vervolgde: ‘Dan staat u allemaal een beetje op de pil. Het is geen wonder dat de Viagra-aandelen zo hoog staan.’
De aanwezige dames begonnen te lachen en de heren zaten beteuterd te kijken.
Tegenwoordig zitten er 20 resten van geneesmiddelen in ons drinkwater.
De Belg Verheyen heeft een leuk boekje geschreven over water. Hij spreekt over ‘vol’ water, maar ons water hoort ‘leeg’ te zijn. Water is een spoelmiddel en daar horen geen resten van andere stoffen in te zitten.
Ik vind het boek van Batmanghelidj een van de beste boeken over water. Deze man uit voormalig Perzië heeft in de gevangenis waar hij op zijn doodvonnis zat te wachten -hij is naderhand nog ontsnapt- ontdekt dat ons lichaam een hydro-elektrische centrale is. Met andere woorden: schoon drinkwater wekt direct energie op in ons lichaam. Water brengt leven, omdat het door de manier waarop het door ons lichaam stroomt, energie opwekt.

Welke belangrijke ziekmakers zijn er volgens u nog meer?

Op het ogenblik is de luchtverontreiniging heel erg belangrijk, vooral in de grote steden.
Het zuurstofgehalte in de grote stad is beslist veel te laag en de kwaliteit van de zuurstof is ook niet goed. Door de uitlaatgassen wordt een elektron van de zuurstof geroofd en krijg je een positief geladen zuurstofatoom. Daardoor kan het trilhaarepitheel van onze ademhalingswegen niet goed meer werken en blijft de rotzooi in onze longen zitten.
Ik raad mensen hier in de streek aan: ga naar het bos of ga naar het strand en laat je eens even schoon waaien, dat is erg belangrijk.

Ik heb over een ionisator gelezen. Hoe staat u daar tegenover omdat het een elektrisch apparaat is? Is zo’n apparaat gezond?

Ik had een patiënt uit Amsterdam die op drie hoog aan een kade woonde en die een reuze astma had. Aan hem heb ik een ionisator in bruikleen gegeven en hij was binnen 14 dagen van de astma af. Toen hij op controle kwam, vertelde hij me blij te zijn met zijn genezing, maar dat hij nu ruzie had met zijn chef. De ionisator doet namelijk alle stof neerslaan. De agressieve stof van Amsterdam vrat 'moeten' in zijn stalen bureau.
Een ionisator is een goed apparaat om het stof neer te doen slaan, want heel veel mensen hebben een allergie voor huisstof. Bovendien voegt die ionisator gezonde negatieve ionen toe aan de lucht.

Kunt u wat meer zeggen over het belang van negatieve ionen? Is ieder orgaan anders geladen?

Negatieve ionen zijn op het ogenblik van groot belang. Niet omdat ieder orgaan anders geladen is, maar omdat wij als geheel veel te veel positieve lading bij ons hebben. Door onze kleding, al het plastic om ons heen, de luchtverontreiniging en door allerlei mogelijke zenders hebben wij niet meer de neutrale lading die we moeten hebben. We hebben allemaal een elektriciteitsvervuiling in ons lichaam van twee en een half tot driemaal. 
Ik heb nooit minder gemeten. Bij kankerpatiënten meet ik soms tien tot twintig keer deze vervuiling. Dus voor kankerpatiënten is de elektrosmog nog gevaarlijker dan slecht eten. Ik heb altijd gedacht dat het slechte eten punt één was en dat de rest daarna kwam. Sinds ik honderden proeven heb gedaan op kankerpatiënten (de Vincent-testen) ben ik erachter gekomen dat bij een normale pH van hun weefsels het dieet niet de boosdoener is, maar wel de gemeten hoge elektrische vervuiling.
Als je een land elektrificeert, schiet het aantal kankergevallen omhoog. Neem bijvoorbeeld Zwitserland, je zou zeggen dat is een fantastisch, schoon en heerlijk land. Maar daar ritselt het van de kanker omdat Zwitserland het allereerste land van Europa was dat in zijn geheel geëlektrificeerd werd. Helaas is dat weinig bekend.
Ik stel tegenwoordig elektrosmog boven het dieet, want die elektrosmog is een nationale ramp aan het worden.
Nog een voorbeeld. Nederlandse soldaten zijn in Kosovo gelegerd geweest. De Amerikanen hebben daar op vijandelijke tanks geschoten met uraniumgranaten. Op het ogenblik sterven opvallend veel veteranen door die verontreiniging met uraniumstraling. Die mannen zijn allemaal zeer hoog positief geworden.
Van Italianen die daar ook gelegerd waren, zijn er geloof ik, al 300 dood. Allemaal kanker!
Een ex-militair, die ik helemaal schoongemaakt heb, vertelde me onlangs dat hij de enige van 200 collega’s is met een goede gezondheid. De een na de ander sterft, allemaal kanker. Het zijn ontzettend griezelige zaken.

Kunt u methodes aangeven die kunnen helpen de elektrosmog in onze huizen en in het algemeen te verlagen?

Op de allereerste plaats staat het voorkómen, dat is erg belangrijk. Trek voordat je gaat slapen alle stekkers uit het stopcontact. Doe je dat niet, dan blijft er straling. Dat is te meten met een elektrosmogmeter.
Heel veel mensen laten hun computer en televisie de hele dag op ‘stand-by’ staan. Gigantische velden ontstaan daardoor.
Ook de magnetron geeft een enorm veld. Wat daar aan vrije radicalen loskomt, ook via het voedsel, is ongelooflijk.
Eigenlijk moet je op het ogenblik kritisch naar elk elektrisch apparaat kijken en zeggen: ik gebruik het zo kort mogelijk. Dat geldt ook voor de GSM telefoon, als je die niet gebruikt hoort hij af te staan. Dan ben je al een heel eind op de goede weg.
Maar daarmee ben je de straling die van de UMTS- en de GSM-antennes komt nog niet kwijt. Die straling wordt steeds belangrijker en daarom schakel ik wel eens een bouwbioloog in om iets te onderzoeken.
Mijn vriend Bob Hornstra vertelde mij dat er nu een verf bestaat waar kleine metaaldeeltjes in zitten. Als je daar een muur mee verft, wordt de straling afgeweerd. Een andere manier om straling te weren is fijnmazig kippengaas op die muur vast te zetten waar de zender op gericht staat. Je plakt daar dan behang overheen en je zit dan in een soort ‘kooi van Faraday’.
Een kind, dat niet kon slapen omdat de zender minder dan 300 meter van haar bedje stond, was met deze methode goed geholpen.
Er zijn steeds meer mensen die zich in deze materie aan het specialiseren zijn.
Volgens mij is het ook belangrijk om supplementen te nemen waar vrijeradicalenvangers inzitten: goede vitaminen en mineralen. Daar moeten mensen zichzelf even in gaan verdiepen.
Elektrosmog heeft iets griezeligs omdat we daar geen zintuig voor hebben. Dat moet gaan leven bij de mensen. Als je actief wilt zijn, kun je er echt wel wat aan doen; de mens is slim genoeg om zich altijd te kunnen verweren!

Een ander belangrijk punt dat veel narigheid voor de mens veroorzaakt, zijn de negatieve gevoelens. Er wordt gezegd dat chronische negatieve gevoelens gevaarlijker zijn dan een pakje sigaretten per dag.
Angst, haat, wrok, woede en jaloezie, we hebben geen idee hoeveel mensen daarmee rondlopen en daardoor voortdurend hun levensblijheid aantasten.
Ik heb net een man meegemaakt wiens vrouw een ellendige aandoening heeft en die mensen zijn allebei even blij. Ik vroeg hem: ‘Hoe krijg je dat voor elkaar?’ Zijn antwoord was: ‘Wij hebben besloten om ondanks deze nare aandoening niet negatief te worden, want dan is er helemaal niets meer aan te doen.’ Kijk, die mensen léven, dat vind ik knap, dat kun je aanleren.
Een Engelse psychiater heeft gezegd: ‘Elk mens heeft het recht om NIET negatief te zijn.’ Dat vind ik een leuke uitspraak. Hij zegt niet: ‘Je hebt niet het recht om negatief te zijn’, maar hij zegt: ‘Je hebt het recht om NIET negatief te zijn.’
Als je met negatieve gevoelens zit, moet je bij jezelf naar binnen kijken en zeggen: hé, wat doe ik dáár nou? Ik heb het recht om dit NIET te hebben, dus… donder op… dàt helpt!

Ik probeer altijd geest, ziel en lichaam te doorgronden. Omdat wij alleen geloven wat de zintuigen ons zeggen, zitten we nog steeds in het materialisme gevangen.
Er is gezegd, ik geloof door Erasmus, dat wij in een leven zitten waarin zielen opgebouwd moeten worden. Ik zeg er dan bij: maar wij zitten niet in een leven waarin lichamen vetgemest moeten worden.
De mens is nu zo materialistisch dat hij vergeet wat 200 jaar geleden algemeen bekend was: het gaat om het welzijn van onze ziel. Als we ons lekker voelen en gezond zijn, is dat meegenomen, maar lichamelijke gezondheid is niet het belangrijkste. Ons lichaam gaat op een goede dag dood, maar onze ziel niet. Die moet worden opgebouwd. De ziel neem je mee na je dood. Door de materialistische leefwijze wordt dat stuk totaal verwaarloosd en daardoor wordt het leven voor veel mensen zinloos. Het verhaal dat de mens in het paradijs werd geplaatst om het te behoeden en te bewaren, gaat niet over een tuin maar over je ziel die behoed en bewaard moet worden. Daar moet je mee bezig zijn.
Vroeger dachten mensen na over hun onsterfelijke ziel, maar als ik tegenwoordig vraag: hoe gaat het met je ziel, kijkt men me aan en zegt: ‘Hè?’ Ze weten helemaal niet waar ik het over heb, ze begrijpen het woord ziel niet meer, heel raar is dat.

De macht van het brein, de ontkenning van de ziel, de kaalslag door studies en de dicterende macht van de universiteiten, het steeds verder afnemen van het zelfstandig voelen en denken van jongeren, dat is toch een zorgelijke ontwikkeling?

Jazeker, zeg bijvoorbeeld maar eens dat je niet in de evolutie gelooft op de manier zoals de universiteiten het doceren. Wat die evolutie betreft is er een tiental jaar geleden een hele leuke ontdekking gedaan: eerst waren we een beetje aapachtig, daarna meer mensachtig, dan Neanderthaler en uiteindelijk kwamen wíj tevoorschijn. Ze hebben in de Kaukasus een Neanderthalerkind opgegraven van 30.000 jaar geleden. Dat kind was nog volkomen in tact en zat in kalksteen gebakken. Vol verwachting hebben ze het DNA bekeken en het bleek zelfs geen familie van ons te zijn! Het was een totaal ander wezen, net zover familie van ons als een aardappel en daar zit men ontzettend mee in de maag, want het verhaal klopt niet.

Kan het zijn dat Darwin toen door een groepering naar voren geschoven is?

Darwin is naar voren geschoven door mensen die tijdens de Franse revolutie hebben geleefd, o. a. door zijn grootvader. De eerste ideeën kwamen van zijn grootvader en van
J. B. Lamarck. Die zei dat een giraffe zó lang zijn nek had uitgerekt naar de hoge boomtoppen om bladeren te eten, dat daardoor zijn nek lang was geworden. Van dat soort verhalen zijn er nog veel meer.
Darwin heeft een leuk boek geschreven, maar hij heeft een enorme fout gemaakt. De titel luidt: The Origin of Species. Dat is niet de volledige titel. Die is namelijk heel veelzeggend, maar wordt altijd verzwegen. De volledige titel is: Het ontstaan van soorten door natuurlijke selectie ofwel het bewaard blijven van rassen die in het voordeel zijn in de strijd van het bestaan.
Met rassen bedoelde Darwin mensenrassen!
Verderop heeft hij nog geschreven: ‘We zullen hopen dat het ‘t Kaukasische ras is’ en ‘Als eenmaal de mensapen, de Aborigines uit Australië en de negers zijn uitgeroeid, dan zal ’t Kaukasische ras ver afstaan van zijn dierlijke voorouders.’ Nou, dat zijn toch verschrikkelijke uitspraken. Hij heeft dus één grote fout gemaakt, hij heeft de adaptatie die binnen elke soort mogelijk is, overgeheveld over de soorten heen.
Als een hond in het Noordpoolgebied opgroeit, wordt die veel ruiger dan een hond die hier in warmere streken opgroeit. De adaptatie die Darwin in al die vinken op de Galapagos eilanden heeft gezien, heeft hij overgeheveld naar de andere soorten. Hij heeft gezegd: ‘De ene soort komt uit de andere voort’ en daar zat hij fout, daar is nooit iets van gebleken, het klopt gewoon niet.

De Engelse chirurg Dr. Vij Sodera heeft daar in 16 jaar tijd een prachtig boek over geschreven. Dat vind ik een van de beste boeken die de laatste tijd geschreven zijn. Op het eind schrijft hij: ‘Kijk, ik heb u dus laten zien dat de evolutie niet kan.’
Ik heb hem opgebeld en gezegd: ik vind het heel knap wat je gedaan hebt.
Hij zei: ‘Ja, ik geloof dat evolutie niet bestaat, de wereld is geschapen, maar dat moeten de mensen zelf maar uitzoeken.’ Daarmee is dat boek ijzersterk gemaakt. Het is een hele leuke man, een Indiër die in Engeland is opgegroeid en daar een hele goede chirurg is geworden.

Hoe zinvol is het dat de nieuwe generatie opstaat tegen misstanden in plaats van berust in de situatie?

Nou, daar kan ik heel kort over zijn. Als deze generatie, die nu opgroeit, niet radicaal verandert, dan zullen de kinderen daarvan de catastrofe meemaken. Wij hebben namelijk nog één generatie te gaan. Je ziet alle lijnen, of je nou kijkt naar het smelten van de polen, het toenemen van het gif, de vergaande staatsinmenging, het groeien van de grote multinationals, het loopt allemaal toe naar één punt en dat ene punt ligt ongeveer 20-30 jaar voor ons, misschien zelfs wel minder. Deze generatie moet dus veranderen anders gaan we eraan.
Dat wil zeggen niet alle mensen, maar er ligt een grote catastrofe klaar. Binnen 15 jaar zullen wij moeten veranderen anders is het niet meer tegen te houden, dan zijn wij ‘the point of no return’ voorbij. We staan nu vlak voor ‘the point of no return’, als mensheid hebben we er nog maar één keer zó vlak voor gestaan. Dat was in de tijd van Noach.

Tegenwoordig bestaat er een trend met de uitspraak: wat je met je gedachten aandacht geeft, groeit; wat je geen aandacht geeft, verdwijnt als vanzelf.
Hoe bekijkt u deze tendens?

Nou, dat vind ik veel te eenzijdig. Ik vind dat een typisch welvaartsdenken, dat je lekker gaat zitten denken met een glaasje erbij. Zo werkt het in de wereld niet, je moet hier gewoon keihard werken. Doe maar eerst wat je goed vindt en waarvan je denkt dàt moet gebeuren ook al kost het je een hoop energie, narigheid, weerstand en gedonder.
Als je dan tegen die weerstanden oploopt, omdat je het goede doet - als je iets goeds doet, loop je tegen weerstanden op - dan kun je je positieve gedachten inzetten.
Ga niet rustig positief zitten denken en een voldaan gevoel over jezelf krijgen, dat gaat in deze tijd niet op!

Er zijn mensen die zeggen: alles kan moeiteloos gebeuren als wij onszelf niet blokkeren met onze gedachten. Denken dat iets moeilijk zal zijn, zorgt ervoor dat het in de praktijk ook moeilijk is. Wat is uw mening?

Nee, dat is niet waar. Als je iets doet in deze wereld, dan krijg je te maken met de hardheid en de weerstand van de wereld. Als je iets goed doet, wordt die hardheid nog groter, zeker in deze tijd.
Wanneer je aan het werk bent en je komt in de moeilijkheden, dan kun je òf geweldig in de stress raken òf je kunt zeggen: ‘Oké.’
In de fluorideringsstrijd gebeurden er zulke gemene dingen dat ik er af en toe de pest in kreeg en in de stress raakte. Daar werd ik vreselijk moe van. Op een dag zei ik tegen mezelf: zó moet het niet. Ik speel vanaf nu gewoon een schaakspel. Ik doe een zet, mijn tegenstander doet een zet en dan zie ik wel weer hoe de volgende zet moet zijn. Toen ik dat geleerd had, kon ik overal vriendelijk tussendoor lopen en de meest bizarre tegenzetten doen en het allemaal als een luchtig spel zien. Dat luchtige is nodig, maar het luchtige bestaat er niet uit dat je niet moet nadenken, zo ligt het niet.
De schrijver Jan den Hartog heeft daar iets leuks over geschreven: iemand komt tegenover een onmogelijk probleem te staan waarin hij echt helemaal vastloopt. Hij kijkt hopeloos naar boven en zegt: ‘Waarom ik Heer?’ Dan zegt de Heer tegen hem: ‘Omdat ik op het ogenblik niemand anders heb, moet jij het maar doen!’ In zo’n situatie heb ik wel eens gezeten in mijn leven.

Als Mozes de Wet heeft voorgelezen aan het volk geeft het volk via de oudste antwoord aan Mozes. Die zegt dan in het Hebreeuws: ‘Na’aseh venishma.’ Dat is helaas vertaald met: wij horen en gehoorzamen. Maar dat staat er niet.
Na’aseh is: wij zullen doen en venishma: dan zullen we begrijpen.
Uit het doen komt het begrijpen voort, nooit alleen maar uit het denken.

Hoe ziet u de vercommercialisering van de maatschappij, het zakelijk maken van bijna alles en de individualisering in verhouding tot de ziel van de mens?

Ik vind eigenlijk de vercommercialisering van de maatschappij het typische verschijnsel van een eindstrijd. Wij leven in een eindtijd. Eens in de paar duizend jaar komt zoiets voor. Wij zitten op het ogenblik in een dieptepunt van een degeneratie. Je ziet dat niet alleen aan de menselijke lichamen maar ook aan de manier van denken. De degeneratie wordt door de mensen foutief aangezien als progressie. Alles wat zich op het ogenblik progressief aandient, is eigenlijk een vorm van nog meer materialistisch worden, nog meer willen verdienen, nog meer mensen met een GSM en een auto, maar daar gaat het niet om in deze wereld.
De vercommercialisering is het gevolg van een verkeerde instelling en die instelling zullen wij moeten veranderen.
De vorige generaties hadden geen auto, radio of televisie, maar die generaties hadden wijsheid.
Grootmoeders gaven heel eenvoudige huismiddeltjes aan hun zieke kleinkinderen en die middelen deden het vaak veel beter dan al die paracetamolzetpillen van vandaag. Wij hebben iets verloren. Wij hebben de band met het verleden doorgesneden en dat hebben we ten nadele van onszelf gedaan.

Het is goed om af en toe eens te lezen in de boeken van de oude Hebreeën en van de oude Grieken zoals Socrates en Plato, dan denk je: verrek, wat waren die mensen wijs. Waar is die wijsheid gebleven? Ze hadden ook van die prachtige karakteristieke ‘koppen’.
Ik heb eens een lezing gegeven waarbij ik over die oude filosofen met die prachtige ‘koppen’ heb gesproken. Ik toonde de mensen het hoofd van Hippocrates met dat hoge voorhoofd, die krullende baard en die grote vorsende ogen, echt een heel indrukwekkende man.
Toen heb ik gezegd: ‘Helaas dames en heren, wij moeten het tegenwoordig hiermee doen.’ Ik liet vervolgens een foto van een voormalig minister van Volksgezondheid zien die zijn vinger in zijn keel stak alsof hij moest kotsen; de mensen kwamen niet meer bij van het lachen.
Vroeger zagen de mensen nog iets in een edel leven, het ideaal om een edel mens te zijn. Nu is het ideaal welvaart. Een degeneratie.

Is dat de norm?

Ja, ik meen van wel. Ik heb niets tegen welvaart, ben zelf welvarend, daar gaat het niet om, maar ik ben er tegen om welvaart als doel te stellen. Het is een gevaar als mensen alleen nog maar zeggen: ‘Wat zit er in mijn loonzakje en hoe kan ik het meer maken?’

Zijn we dus genoodzaakt weer terug te keren naar de bron, naar onszelf, naar de vereniging der tegenstellingen? Gaat het om het vrijmaken van de ziel?

Ja precies, daar gaat het allemaal om.

Hoe belangrijk is het om het grootste deel van je leven, je ‘bliss’, je innerlijke wens, als richting te volgen?

Ik vind het heel moeilijk een algemeen antwoord op deze vraag te geven. Het is volgens mij een grote vergissing om ‘follow your bliss’ te vertalen en te ervaren als ‘vrij zijn om te doen wat we willen’.
Het is een illusie. Zo vrij is een mens niet. Wij zijn bepaald door de beperkingen van ons lichaam. Sommige mensen zijn ’s avonds te moe om nog iets te doen, anderen hebben regelmatig een migraine-aanval waardoor ze geremd worden. Er zijn ook mensen die een stofwisselingsstoornis hebben waardoor ze het ene moment diep in de put zitten en het andere moment veel te veel willen. We worden ook geremd door onze psychologische moeilijkheden. Hoe moeilijk is het om af te leren wat je van je ouders verkeerd geleerd hebt. Daar heb je al een half leven voor nodig.
Ik denk bijvoorbeeld bij bepaalde reacties van mij: hoe kom ik daar nou aan? Dan weet ik ineens: dat heb ik van mijn vader of nu reageer ik net zoals mijn moeder. Ik was trouwens dol op mijn ouders, daar gaat het niet om.

Ons leven kent zo zijn remmingen en ik heb dat extreem gezien in de hongerwinter van 1944 hier in Aerdenhout.
Een voorbeeld. Nederland was belegerd, we hadden geen gas en elektriciteit en er was bijna geen eten meer. We moesten bij de gaarkeuken wat halen, we hadden allemaal honger en er waren voortdurend razzia’s op straat. Op mijn leeftijd kon je elk moment opgepakt worden. Het was levensgevaarlijk en in zulke omstandigheden kun je maar een ding doen: proberen te overleven. Dan ga je heus je ‘bliss’ niet achterna, je bent blij dat je nog leeft en niet in een concentratiekamp zit. Ik moest toen houthakken en dat was al gevaarlijk genoeg.

Een ander voorbeeld. Je hebt kinderen die plotseling helemaal uit hun dak gaan, die helemaal gek worden omdat ze heftig reageren op gewone geraffineerde suiker of op kunstmatige kleur- en smaakstoffen. Dat kind kan helemaal zijn ‘bliss’ niet achterna gaan, die moet eerst op dieet. Als je die zaken wegneemt, kan het kind pas normaal reageren, maar probeer dat maar eens in onze gekonfijte maatschappij, dat lukt bijna niet. Ouders zeggen dan: ‘Maar hoe moet dat dan met een snoepje?’ Dan zeg ik: ‘Een snoepje mag niet, geef het kind maar een stukje kaas en ga dat ook op school maar zeggen.’ De moeite die je moet doen om een kind van de geraffineerde suikers af te krijgen laat al zien dat we helemaal niet vrij zijn.
Vrijheid van doen en laten in de buitenwereld is helaas beperkt en daarom zeg ik: maak wat van je leven binnen je mogelijkheden. Heb je een ideaal, tracht het te verwezenlijken. Soms lukt het, soms niet. Er moet gewoon brood op de plank komen.
Maak van elk moment dus het beste wat erin zit.

Ik vind ‘follow your bliss’ een typische welvaartskreet in een tijd waarin iedereen meent dat alles kan. Het is veel beter om je te trainen in elk moment aanwezig te zijn. Dan kun je zelfs zin vinden in het afwassen van een kopje of het opmaken van een bed. Het is niet de bedoeling dat je een beetje gezegend voortdobbert, het gaat erom dat je alert bent, dat je hier en nu aanwezig bent.
Om in het hier en nu aanwezig te zijn is een van de allermoeilijkste opgaven. De meeste mensen zitten honderd meter voor zich uit op de snelweg van het leven, daar ligt hun bewustzijn. Of ze hangen voor de televisie en kijken naar een voetbalwedstrijd en roepen: ‘Goal’. Maar dat is het leven niet, zo zit het niet in elkaar. We moeten zorgen dat we alert zijn.
‘Follow your bliss’ is alleen weggelegd voor mensen die het zich financieel kunnen permitteren en voor mensen die het aankunnen, maar dat zijn er uit beide categorieën maar heel weinig.

Er zijn dus mensen die nog niet kunnen doen wat ze eigenlijk het liefste zouden willen. Ze zitten als het ware in ketens gevangen. Hoe kunnen zij dat probleem oplossen?

Ik heb heel vaak met dit probleem te maken. Ik heb net een brief gehad van een man die zijn pensioen moest opbouwen maar die eigenlijk heel wat anders wilde doen. Hij werd daarin dus financieel tegengehouden. Het is slechts een enkeling die kan zeggen: ‘Ik breek met alles en ga gewoon doen wat ik altijd al wilde doen.’
Mensen die in extreme omstandigheden zitten, bijvoorbeeld met een gemene kanker, breken nog wel eens met alles wat ze doen en hebben.
Vroeger in het jodendom kwam het wel eens voor dat als een kind levensgevaarlijk ziek was, het een andere naam en andere ouders kreeg. Omdat de omstandigheden dan zo sterk veranderd waren, ging de ziekte weg, dat hielp echt. Gelukkig hebben we tegenwoordig niet meer met dergelijke ingrijpende zaken te maken.

Ik ben iemand van de gulden middenweg en doe de mensen vaak een voorstel:
ga eens rustig zitten en kijk hoeveel tijd je besteedt aan je werk, hoeveel tijd aan zaken die totaal onbelangrijk zijn en wat je dan nog aan tijd over hebt. Als je de onbelangrijke dingen niet meer doet, heb je een enorme hoeveelheid tijd over. Besteed die dan aan hetgeen je zo graag zou willen doen. Als later blijkt dat je daar je beroep van kunt maken, doe het dan.
Ik ben voor geleidelijke overgangen als het kan. Een mens leeft niet alleen, hij heeft mensen om zich heen die van hem afhankelijk zijn.

We zien tegenwoordig ook vrouwen die al een gezin hebben en die beïnvloed worden door cursussen en boeken met zinnen als: ga je eigen weg, je bent het waard om de weg van jouw ziel te volgen. Hun hoofd wordt op hol gebracht en dan zijn ze gewoon in staat hun gezin te verlaten. Hoe kijkt u daar tegen aan?

Ja, daar heb ik verschillende voorbeelden van gezien, dat is een ramp.
Ik zeg altijd tegen mensen die hun hoofd in de hemel hebben: denk erom, we zijn Nederlanders, blijf met je voeten in de klei! We moeten nuchter blijven.
Ik heb echte heiligen meegemaakt in mijn leven, maar dat waren geen zwevende mensen, dat waren hele nuchtere, normale mensen die deden wat er op hun weg kwam. Die haalden af en toe dingen uit waarvan ik dacht: tjonge, jonge ik begrijp helemaal niet dat dit kan. Een opofferingsgezindheid tot de dood toe, bij wijze van spreken, maar altijd staande met beide voeten op de grond. We moeten geaard blijven. Het gevaar van deze tijd is dat we niet meer geaard zijn, dat we gaan zweven en een of andere goeroe achterna lopen of iets vaags beginnen. Prof. F. Weinreb, een joods geleerde, die ik goed gekend heb, sprak altijd over ‘de macht van de vaagheid’.
Dus laten we maar proberen om helder te denken.



Welke invloed hebben huisdieren op het welzijn van de mens?

Ach, er is een aardig verhaal van dr. R.G. Hamer over een vrouw die kanker gekregen had en die eigenlijk weg zat te kwijnen. Hamer ging met die vrouw praten en zei: ‘Is er vlak voordat  die kanker losbrak iets naars gebeurd in je leven?’ ‘Nee’ zei ze: ‘Ik zit hier in mijn kamer en heb die kanker gekregen, er is niets naars gebeurd.’ Daarna ging hij met haar kinderen praten en vroeg hun: ‘Is er iets naars gebeurd met moeder?’ Het antwoord was: ‘Ja, maar ze wil er niet over praten. Ongeveer drie maanden voor ze kanker kreeg, ging haar parkiet dood.’
Hamer antwoordde: ‘Geef haar dan een nieuwe parkiet.’ Ze kreeg een nieuwe vogel en de kanker genas.
Ik vind huisdieren erg belangrijk, ze kunnen eenzaamheid oplossen, het leven relativeren, ze zijn gezellig en ik wil ook beweren dat ze een gezondheidsbevorderende werking hebben. Mensen en dieren horen bij elkaar. Ik ben erg voor huisdieren, zeker bij kinderen.

Van dolfijntherapie heb ik mooie dingen gezien. Het is weliswaar geen huisdier maar het is zo’n gezellig beest. Ik had grootouders in mijn praktijk die een kleinzoon kregen en Bas was een mongooltje. Ze hebben toen de stichting BAS opgericht en geld ingezameld om verstandelijk gehandicapte kinderen met dolfijnen te laten zwemmen. Dat heeft een geweldige invloed… De kinderen worden rustiger en zelfs een beetje verstandiger; de dolfijn doet iets heel bijzonders met hen.

Prof. Rupert Sheldrake is bezig met een ontzettend leuk onderzoek naar gedrag van dieren. Ik heb hem ontmoet en hij vertelde over een hond die wist wanneer zijn baas thuiskwam.
Ik vertelde hem mijn analoge ervaring daarmee:
Ik had een patiënte in Zantvoort die stervende was van kanker en ik bezocht haar drie keer per week. Soms ging ik ’s morgens om 10 uur, dan weer ’s middags om 3 uur, maar altijd als ik daar aankwam, stond haar man me al op te wachten bij de deur. Toen dat voor de vijfde keer gebeurde, zei ik: ‘Mijnheer, ik kom altijd op een andere tijd, hoe weet u dat ik eraan kom?’ Hij zei: ‘Dokter, tien minuten voor u eraan komt, roept de papegaai al DOKTER, DOKTER, DOKTER…’
Ja, die Sheldrake is een heel leuke man, een heel originele denker, hij doet bijzondere onderzoeken en schrijft mooie boeken.

Gelooft u in reïncarnatie?

Ik ben daar voor mezelf nog niet uit, ik geloof dat er twee mogelijkheden zijn: òf reïncarnatie waar al ontzettend veel feiten - dat het inderdaad waar is - over bekend zijn òf resonantie.
Het is ook mogelijk om met iemand, die in een andere tijd geleefd heeft en die bijna hetzelfde levenspatroon had, een hoger verband te vormen in de vierde dimensie waar geen tijd bestaat.
Als je ‘ingetuned’ bent op degene die zó op je lijkt dat je dingen van hem weet en overneemt, kunnen er bijzondere waarnemingen volgen.
Ik heb zelf een paar reïncarnatieve ervaringen gehad die er niet om liegen, maar waarvan ik toch denk: hoe zit dat nou?
Ik zat eens aan het sterfbed van een vrouw die ik een jaar lang had begeleid. Ze lag in een diep coma en plotseling veranderde alles…
Ik zat naast diezelfde vrouw, ze lag daar met lange zwarte pijpenkrullen op een wit kussen en ze was helemaal uitgeteerd van de kanker. Ik zelf was gekleed in fluweel, droeg schoenen met grote gespen en had vrij lang haar. Ik zat aan hetzelfde ziekbed in een Frans kasteel. ‘Heel raar’ flitste het door mij heen en ik zei hardop: hé, dat heb ik eerder meegemaakt. Daarop deed die patiënte de ogen open, keek me aan en zei: ‘Maar over Frankrijk praten we niet meer.’ Toen deed ze haar ogen dicht en een uur later was ze overleden.
Dat zijn natuurlijk heel ingrijpende ervaringen en dan denk je: hoe kan dat? Maar het zou ook kunnen zijn dat twee andere mensen, diep met ons verbonden in een hoger verband, dit hebben meegemaakt en dat wij het aan het uitwerken zijn. Dat is ook mogelijk.
Ik kan me voorstellen dat sommige mensen in een veel groter geheel elkaar bij de hand houden, elkaar ook helpen. Dat je elkaar als vrienden kunt helpen door te zeggen: als jij die tijd in moet, maak ik wat jij hebt laten liggen voor je af. Zo zou het ook nog kunnen zijn.
U moet niet vergeten dat wij deze wereld als dóórlopend beleven, maar in de ogen van God is alles in een enorm ‘NU’ aanwezig. In de vierde en de vijfde dimensie loopt ‘onze’ tijd niet door, daar heerst een gigantisch ‘NU’.
Reïncarnatie, ik weet het niet, ik geef er geen antwoord op, ik geef alleen maar een alternatief.

Tegenwoordig wordt het begrip ‘burn-out’ regelmatig gehanteerd. Zou u daar wat meer over willen zeggen?

‘Burn-out’ vind ik een heel mooi woord voor een oud begrip. In de leer van Ouspensky wordt het als volgt uitgelegd: wij mensen beschikken over een bepaalde hoeveelheid energie, beeldend uitgedrukt in een groot en een klein vat.
Elke nacht stroomt dat grote vat heel langzaam vol. Het geeft energie door aan het kleine vat voor het dagelijks gebruik. Als door bepaalde oorzaken een tekort dreigt te ontstaan, kan de mens elke dag een klein beetje uit het grote vat lenen. Dan zakt het hoge niveau van het grote vat een beetje, totdat op een gegeven moment het grote vat helemaal leeg is. Dan heb je een ‘burn-out’!
Elke dag een ergernis hebben bijvoorbeeld betekent dat je extra energie kwijt raakt.

Dat grote vat, je kracht, krijg je dat mee met je geboorte?

Ja, dat grote vat is je basisvitaliteit en het kleine vat is je dagelijkse portie daarvan. Als een patiënt bij mij komt met een ‘burn-out’ dan moet ik eerst vaststellen of hij echt afgeknapt is of niet. Dat doe ik via de test van Vincent. Het is de Fransman Vincent die deze test heeft uitgevonden. Bij die test tekent de computer onder andere een grafiek: een zogenaamd vitaliteitsvierkant, dat bij een goede gezondheid geheel gevuld is. Helaas komen jongeren tegenwoordig niet verder dan een gedeelte van dit vierkant. We spreken over een ‘burn-out’ als het vierkant vrijwel niets meer aangeeft. Dan denk ik: foute boel, die patiënt heeft absoluut geen energie meer over.

Stel, je hebt iemand van twintig jaar met een slecht opgevuld vierkant, dan heb ik acht jaar nodig om dat weer op te vullen. Een heidens werk om dat helemaal goed te krijgen.
De oorzaak kunnen we onder andere vinden bij de vele entingen. Een andere veel voorkomende oorzaak is een energielek en ik vraag me dan af: waar komt dat energielek vandaan? Waarom verbruiken die mensen teveel energie? Hoe ziet hun leven eruit? Wat eten en drinken ze? Wat doen ze aan echte ontspanning? Doen ze wel eens spelletjes?

Stephanie Simonton, een psychologe die werkt met visualisatie bij kankerpatiënten, zegt altijd: ‘Een mens moet een combinatie maken van inspanning en spel. Als je het spel vergeet in je leven, dan zit je in de moeilijkheden.’
Een mooi voorbeeld: ik heb veel afgeknapte dominees gezien, omdat dominees werken op zondag en vergeten dat ze een rustdag moeten hebben. Als ik hun vraag hoeveel dagen per week ze werken, is het antwoord steevast: ‘Zes.’ Maar wat doet u dan op zondag? ‘Ja, dan preek ik’, zeggen ze vervolgens, alsof dat geen werken is. Dat hebben ze jarenlang gedaan en ineens knappen ze af.
Tegenwoordig zie ik veel kinderen die te weinig energie hebben en daardoor van de ene verkoudheid in de andere vallen, omdat ze al heel vroeg naar crèches worden gebracht. Een kind in een crèche is een kind zonder nestwarmte. Die nestwarmte geeft direct energie. Al die mensen die in een crèche werken, doen wel hun best, maar het is niet te vergelijken met echte moederwarmte.
‘Burn-out’ kan vele gezichten tonen, het ernstigste is dat werkelijk het grote vat, het grote vierkant, helemaal leeg is. Dat zie je bijna altijd bij kankerpatiënten.
Een kankerbehandeling duurt zes tot zeven jaar voordat je die mensen weer helemaal goed hebt.
Ik maakte altijd, eerst tweemaal per jaar en later eenmaal per jaar, een Vincent-test en dan zag ik direct het resultaat en dat was prachtig.

Wat houdt die Vincent-test waar u over spreekt nog meer in? Hoe gaat u verder te werk?

Bloed, speeksel en urine worden onderzocht en de computer geeft daarvan een uitslag in de vorm van een statistiek. De lichaamsvloeistoffen worden nagekeken op drie factoren: de pH, de zogenaamde redoxpotentiaal en de elektrische weerstand. In totaal krijg ik negen waarden. Op de statistiek zie ik waar de zwakke plekken zitten: zo zuur is die mens, zoveel energie en elektrische lading heeft die mens en zo weet ik al heel veel over zijn gezondheid.
Die testen heb ik jarenlang gedaan en het bijzondere is dat je bij kankerpatiënten nog 3-4 jaar werk hebt, nadat het ziekenhuis hen ‘vrij’ verklaard heeft. Omdat het grote vierkant nog niet volledig is opgevuld, zitten ze nog steeds in de gevarenzone.
Tijdens die herstelperiode zie je langzaam maar zeker dat het vierkant zich helemaal opvult. Op een gegeven moment zeg ik: nou ben je klaar en ga je alleen door.
In totaal behandel ik een kankerpatiënt toch echt 6-7 jaar.

Mijn kankerbehandeling bestaat uit opbouw van de nog gezonde cellen en afbraak van de slechte cellen, die nog zijn overgebleven na de reguliere oncologische therapie.
Wat de opbouw van de gezonde cellen betreft: de meeste patiënten zijn reeds een hele tijd uitgeput voordat de kanker zich openbaart. Omdat hun weefsels uitgeput zijn, moet ik die weer opbouwen met goed voedsel, goede vitamines en mineralen, bepaalde toniserende middelen en voldoende rust. Bovendien help ik hen afstand te nemen van het hectische leven dat ze hebben.
Met betrekking tot de afbraak van de slechte cellen: dat gebeurt al vaak in de ziekenhuizen met behulp van messen, door chemotherapie en bestraling. Helaas maken ze daar ook de goede cellen mee kapot. Hoe minder ze dit alles doen, hoe liever het mij is. Chemotherapie helpt maar in een fractie van het aantal kankerpatiënten en dan voornamelijk bij leukemie, non-Hodgkin, Hodgkin en een beetje bij myelomen. Chemotherapie geeft bij andere kankers wel een tijdelijke vermindering van klachten, maar voegt helaas niet één dag aan het leven toe. Dat is allemaal bekend.
Wij hebben in onze natuurgeneeskundige praktijk een groot aantal mogelijkheden om die slechte cellen niet toxisch af te breken. Ik ben een voorstander van een hoge dosering pancreasenzymen, dat zijn enzymen die als het ware de kankercellen verteren. Dat is de therapie van Kelley.

Als u een huis verbouwt, dan weet u wat er gebeurt. Er ligt overal stof, rommel en rotzooi die je op moet ruimen. Een ziek lichaam moet je schoonmaken en dat wordt vaak vergeten en helaas wordt het in de ziekenhuizen nooit gedaan. Als je niet reinigt, gaat het lichaam dood aan de afbraakproducten. Als je enzymen geeft zonder het lichaam eerst schoon te maken, heb je kans dat de nieren verstopt raken van alle afvalstoffen en dan gaan de mensen gewoon aan nierfalen dood. Ik geef de patiënt schoonmaakkuren: koffieklysma’s en drie aparte kuren, te weten de ‘clean sweep’, de ‘purge’ en de ‘liverflush’.
Eén keer per drie weken toegepast, geeft dat een geweldige schoonmaak in het lichaam. Ik kan zeggen dat ik met de drie dingen die ik doe: opbouw, afbraak en schoonmaak, heel veel mensen heb mogen helpen.

In 2000 ben ik begonnen met het behandelen van een meisje dat een heel kwaadaardige hersentumor had. Ze kwam met haar vader en zat in een rolstoel, ze kon niet lopen, niet goed praten en ik kon haar niet verstaan. Ze was al bestraald en had chemotherapie gehad, het zag er heel slecht voor haar uit. We zijn gestart met de volledige therapie van opbouw, afbraak en schoonmaak. Het is een hangen en wurgen geweest. Ik dacht: ik hijs dat nooit, zo’n ontzettend gemene tumor, dat lukt me niet. Maar gisteren was ze weer hier, we zijn nu 8 jaar verder en ik kreeg tranen in mijn ogen toen ik haar zag. Ze was zelf de trap opgekomen en zat heel levendig met haar vader te praten. Ik zei: ‘Meissie, ik had 8 jaar geleden niet durven dromen dat ik dít zou meemaken, dit is toch ongelofelijk.’
Als je zoiets meemaakt, dan weet je dat je niet voor niks hebt gewerkt.

Een van de dingen die ik bij kanker altijd vraag: ging er een emotioneel conflict aan de ziekte vooraf? Het komt ontzettend veel voor dat mensen in de 2-3 jaar voordat ze kanker krijgen, een emotionele klap te verwerken hebben gekregen. Een scheiding, een sterfgeval, een kind dat aan de drugs is geraakt of grote financiële moeilijkheden. Dit zijn allemaal moeilijk op te lossen situaties waarvoor je een ‘modus vivendi’ moet vinden, want als je de situatie niet kunt oplossen of hanteren, dan wordt het moeilijk voor de kankerpatiënt. Ik probeer dus altijd vast te stellen waar de emotionele knooppunten zitten. Soms zijn die er niet, dan is er sprake van een lichamelijke kanker zoals longkanker bij iemand die teveel gerookt heeft. Maar heel vaak gaat aan kanker een emotionele schok vooraf, dat heb ik bij veel, heel veel gevallen gezien en daar heb ik ook bij mogen helpen.
 
De Simontons hebben daar veel goed werk voor gedaan. Hun directe leermeester was de Amerikaan Laurence LeShan, een geweldige vent, die ik persoonlijk ken. Hij had een indringende vuistregel waar hij telkens op terugkwam: ieder mens moet zijn eigen melodie leren zingen in het leven.
Hij werkte in een ziekenhuis in New York. Op een dag kwam de directeur bij hem en zei: ‘Er is een erg zieke, jonge patiënt in huis, wil jij eens met hem gaan praten?’ Hij ging erheen en zag een jongen van ongeveer 20 jaar op bed liggen, in het eindstadium van een Hodgkin, helemaal vermagerd.
LeShan zei: ‘Ik kom eens even met jou praten’ en die knul antwoordde: ‘Ik kan niet meer uit bed komen, dus ga je gang.’ Waarop Laurence de onsterfelijke woorden sprak: ‘Kijk eens vriend, je mag hier dan wel liggen dood te gaan, maar beleefd kun je wel blijven!’ Die vent keek hem aan en zei: ‘Met jou kan ik praten.’ Dat was een hoopvol antwoord.
LeShan ging verder en vroeg hem: ‘Wat ben jij voor een snuiter, vertel me eens over je leven.’
Het werd een heel lang verhaal: geen contact met zijn ouders, op straat leven, bij een jeugdbende aansluiting vinden, in de criminaliteit terechtkomen, totdat één van zijn vrienden werd doodgeschoten en de bende uit elkaar viel. Op dat moment kreeg deze knul een Hodgkin.

Laurence LeShan ontdekte in dat gesprek dat de jongen als de bendeleider, die zijn mannen aanvoert in het gevecht, een beeld was van een andere leider tegen een formidabele tegenstander: een brandweerman, die zijn mannen voorgaat in het gevecht tegen de brand.
LeShan zei: ‘Je bent eigenlijk een brandweerman!’ De jongen snapte dat meteen en zei: ‘Verrek, ik wou dat ik dat eerder had geweten, nu lig ik hier dood te gaan.’ Laurence sprak toen de onsterfelijke woorden: ‘Hou daar dan verdomme mee op!’ Meteen begonnen zijn tumoren weg te smelten. Toen raakte hij echter in een depressie en hij zei: ‘Ik heb in een illusie geleefd. Welke gemeente wil mij nu nog hebben met mijn crimineel verleden?’
LeShan en de directeur smeedden toen een bijzonder plan: ze hebben in de administratie het verleden van de jongen veranderd. Hij werd iemand die in het ziekenhuis had gelegen voor een beenbreuk en die uit een aardig gezin uit Boston kwam. Het plan had succes en die knul werd brandweerman.
 
LeShan vertelt dan hoe hij vijf en twintig jaar later bij een grote brand staat te kijken. Eerst komen alle grote brandweerwagens aan en dan een grote Amerikaanse slee van de brandweercommandant. De commandant, in vol ornaat, stapt uit, ziet LeShan en roept: ‘Hi Doc!’ met een joviale zwaai van zijn arm.
Het bleek die jongen te zijn, die stervende patiënt van weleer. Hij had zijn eigen melodie leren zingen.
Dit verhaal is weer een voorbeeld: zing je eigen melodie ten koste van alles en nooit de melodie die je van een ander hebt geleerd!



Wat ziet u als de belangrijkste oorzaak van ADHD bij kinderen?

Vaccinaties staan bovenaan.
Daarna komen de kunstmatige kleur- en smaakstoffen waar ik echt hele nare dingen van heb gezien. Kinderen die daar werkelijk helemaal van in de war raakten, waren geen uitzondering. Dan komen de geraffineerde suiker en de fluoride. Fluoride interfereert met de prikkeloverdracht in onze hersenen en kan ook een oorzaak zijn voor ADHD.
Ik had kinderen in de praktijk die echt voortdurend hun concentratie kwijt waren. Ik kreeg hen niet onder controle door alleen de vaccinaties te neutraliseren en de kunstmatige kleur- en smaakstoffen eruit te werken. Als ik dan ook nog de gefluorideerde tandpasta verbood, werden die kinderen plotseling goed. Je moet altijd alert zijn bij gefluorideerde tandpasta, want daar wordt ongemerkt veel van opgenomen.
Ik krijg ook de indruk dat de elektromagnetische velden een steeds grotere rol gaan spelen.
Alle bovengenoemde oorzaken moet je onderzoeken en dan kom je een heel eind.

Een indrukwekkend voorval van twee jaar geleden met betrekking tot vaccinaties wil ik u niet onthouden.
Een jongetje van zes jaar kwam met zijn moeder op het spreekuur. Dat kind zat al wippend op zijn stoel naar buiten te kijken en ik kreeg geen oogcontact. De moeder sprak van autisme bij haar zoontje Frits.
‘Hij kan niet rekenen en schrijven en hij heeft geen vriendjes, we wachten op overplaatsing naar een LOM-school.’ Op mijn vraag wanneer zij de verschijnselen voor het eerst waargenomen had, was haar antwoord: ‘Toen hij ongeveer 14 maanden was, daarvóór was het een normaal kind.’ Ik stelde vast dat het wel eens met een BMR-enting verband zou kunnen houden.
Ik heb Frits doorgemeten op BMR en hij gaf een enorme uitslag. Vervolgens heb ik hem een neutralisatie van zijn BMR gegeven en twee maanden later kwam hij terug op controle. Hij keek me met grote, wakkere ogen aan en zei: ‘Dag dokter, het gaat goed met me.’ Zijn moeder vertelde me dat hij binnen 14 dagen een normaal gedrag vertoonde. Rekenen en schrijven waren geen probleem meer en hij had inmiddels vriendjes gemaakt. Die neutralisatie opende een kind dat eigenlijk al 5 jaar niet meer goed was, ik wist niet wat ik zag.
Na twee maanden zouden ze terugkomen, want ik verwachtte een mogelijke terugslag.
Wat er toen gebeurde, was heel bijzonder. Frits bracht een tekening voor me mee en ik vroeg hem wat de afbeelding: poppetjes, grijze regen en kuilen, te betekenen hadden. ‘Dat is de uitbarsting van de Vesuvius dokter, toen Pompeï verwoest werd. Daar is een pyroclastische shock aan vooraf gegaan waardoor mensen omver werden gegooid of moesten vluchten voor die asregen.’ Blijkt Frits toch superintelligent te zijn! Hoeveel van die kinderen lopen er nog zo rond?
Ik ben blij dat ik in ieder geval Frits heb mogen helpen.

Bij de diagnose ADHD worden kinderen behandeld met Ritaline. Ritaline is een middel dat verwant is aan speed, een ontzettend gemeen middel waardoor de doorbloeding van de hersenen 30% verminderd wordt. Daardoor worden die kinderen lekker rustig en de leerkrachten hebben er dan geen last meer van. Maar als je een kind 5 jaar lang op zo’n middel zet, dan zijn de hersenen vaak niet goed uitgegroeid en dan kun je de universiteit wel vergeten. En dat door Ritaline, dat is echt heel verschrikkelijk!

Welk effect heeft de plastic fles op mineraalwater?

Dat bijvoorbeeld SPA-blauw in plastic zit, vind ik heel naar. Maar ik heb liever goed water in plastic dan slecht water, want in slecht water zit teveel rotzooi.
Ik heb de SPA-fabrieken geschreven en hun gevraagd welk soort kunststof ze gebruiken voor hun flessen. Het antwoord was: ‘Wij gebruiken een speciaal soort gehard plastic waar zo weinig mogelijk vervuiling in zit.’ Omdat de fabrikant het zelf beweert, weet ik natuurlijk niet of het waar is. Maar plastic dat warm wordt, geeft moeilijkheden, daar komt nonylphenol bij vrij. Dat is een pseudo-oestrogeen dat vervrouwelijking veroorzaakt.

Met betrekking tot die vervrouwelijking hebben ze in Zweden vijftig jaar lang een onderzoek gedaan naar de kwaliteit van het sperma van mannen en er bleek 50% vermindering van levende cellen te zijn.
Vanuit Zweden was er contact met mensen in de Everglades. Daar hadden ze geconstateerd dat er in bepaalde meren geen alligators meer waren omdat de mannetjes te kleine penissen hadden en zich niet meer konden voortplanten.
Die onderzoekers in Florida hadden ook weer contact gekregen met een biologengroep uit Canada die een meeuwenkolonie bestudeerde. Op een nest vol eieren zaten steeds twee meeuwen, maar de eieren kwamen niet uit omdat het twee vrouwtjes waren die zaten te broeden. Ze noemden dat de ‘gay-gull-colony’. De mannetjesmeeuwen hadden niet voldoende hormonen om belangstelling voor de vrouwtjes te hebben.
Engelse onderzoekers ontdekten dat in een rivier alle mannetjesvissen in vrouwtjes veranderden en dat zonder operatie! In die rivier was een betonnen rioolbuis vervangen door eentje van kunststof en uit die kunststof kwam de gemene stof nonylphenol vrij.
Er zijn meerdere stoffen die pseudo-oestrogenen afgeven en dat is echt een heel nare ontwikkeling.
De Zweden met het sperma-onderzoek, de mensen in de Everglades met de alligators, de Canadezen met hun ‘gay-gull-colony’ en de Engelsen met hun vissen ontdekten toen dat ze allemaal hun probleem onder één noemer konden brengen: nonylphenol.
Dus, als je mineraalwater in een plastic fles hebt gekocht, giet het thuis dan voor gebruik over in een glazen kan of fles. Want als een plastic fles een tijdlang op kamertemperatuur staat, met soms ook nog de zon erop, dan komt die nonylphenol vrij.
Conclusie: we moeten hierbij dus kiezen uit twee kwaden…

Heeft u een goed ademhalingsadvies? Moeten we door de neus in- en uitademen?

Ik stuur regelmatig patiënten door naar ademtherapeuten. De mensen kunnen góed ademen heel moeilijk zelf aanleren. Op Mensendieck, Caesartherapie of yoga leer je hoe je voldoende zuurstof kunt pompen. Veel mensen zijn moe omdat ze niet goed ademen en ik kan dat meten met een meetlint. Ik zeg dan: even kijken of u mee kunt doen aan de ‘miss Haarlem’-verkiezingen.
Vrouwen moeten dan lachen, want ik meet net onder hun borsten en als ik zeg: ademen, ademen ze twee centimeter. Dan zeg ik: u komt nog niet in aanmerking voor de ‘miss-verkiezing’, want daarvoor moeten we nog wel wat anders doen, u moet eerst negen centimeter halen…
Vrouwen die zwanger zijn, leren oppervlakkig ademen, maar helaas ademen ze ook nog zo als de buik leeg is. Het middenrif staat dan stil.
Onze longen zijn qua inhoud een soort piramide: bovenin hebben we de minste ruimte, onderin de meeste ruimte. Het gaat dus om een goede buikademhaling. Daarbij is inademen door de neus belangrijk, want de neus houdt veel rommel tegen.

Wat kunnen we doen om de ziekenhuisbacterie MRSA tegen te gaan?

Niet in het ziekenhuis belanden, dat is het beste advies dat ik kan geven.
Nee, zonder grap, ik heb wel een goede raad.
We weten al ongeveer 60 à 70 jaar hoe we goed moeten eten, maar het ziekenhuis doet daar niet aan mee. Zij serveren ‘dood’ voedsel, veelal in magnetrons klaargemaakt, het is verschrikkelijk.

Als je in een ziekenhuis terecht komt, ben je vatbaar voor de MRSA-bacterie juist omdat je ziek bent, maar ook omdat je geen gezond eten binnenkrijgt. Zorg dat je familie je een goede maaltijd brengt.
Vervolgens raad ik aan om preventief iets te nemen dat de infectie tegengaat, bijvoorbeeld 1 à 2 capsules propolis per dag, een van de beste preventieve middelen.
Dus, ten eerste: leef zó gezond dat je niet in het ziekenhuis komt. Ten tweede: kom je er toch, zorg dan extra voor goede voeding. Ten derde: neem er preventief propolis bij.

U hebt veel geschreven onder uw eigen naam en ook een boek onder een pseudoniem. Zou u zowel de boeken als het pseudoniem willen toelichten?

  • Onder het pseudoniem Toussaint heb ik mijn allereerste boek ‘Ziekte als lot en kans’ geschreven. Daar kwamen verhalen van patiënten in voor en ik wilde voorkómen dat men ging uitzoeken wie zij zouden kunnen zijn. Toussaint is een naam die ik mocht gebruiken, want dat is een van mijn voorvaderen. Hij heeft de laatste pestepidemie in Friesland bedwongen. Het boek is 25 jaar op de markt geweest en heeft invloed gehad op de hele niet-toxische tumortherapie in België.
  • Het boek ‘Beschavingsziekten en gezondheid’ is uitverkocht.
  • ‘Fluoralarm’ is een boekje om mensen te helpen bij de strijd tegen fluoridering. Iedereen sprak erover en de universiteiten waren heel boos, razend zelfs. Want alle antwoorden, waarmee men de fluorideringsleugens kon ontzenuwen, stonden in dat boekje…
  • Op verzoek van leden van het Engelse Hogerhuis heb ik een boek geschreven over de fluoridebestrijding: ‘Fluoride the Freedom Fight’. In Engeland hadden ze daar nog steeds problemen mee. Dit boek is behalve in Engeland ook van grote invloed geweest in Australië.
  • ‘De wetenschap kent geen tranen’ heb ik geschreven ter ondersteuning van een collega die door de Inspectie aangevallen werd omdat hij een kind van kanker had genezen op niet-oncologische wijze.
  • ‘Engelen als beschermers en helpers der mensheid’ en ‘Een engel op je pad’, zijn twee engelenboeken, beide met een groot succes.
  • ‘Op je gezondheid’ is een boek over hoe je geest, ziel en lichaam gezond kunt houden in een bedreigde wereld.
  • ‘Is toeval echt toevallig? Een blik in de keuken van de schepping’ is een boek over toeval in het dagelijks leven en is onlangs verschenen.
  • Ik heb een interview gegeven voor Ode, diverse voor andere tijdschriften en eens per drie maanden verschijnt er een artikel in het blad Vruchtbare Aarde.        
Zou u nog iets willen zeggen over engelen en de ziel, je kern?

Ik had hier een pater Franciscaan in de praktijk, een heel aardige vent en ik liet het woord ‘engelen’ vallen.
Toen zei hij: ‘Maar dokter, u gelooft toch niet in engelen?’
Ik antwoordde: ‘Jazeker.’ ‘Maar wij jongens van het seminarie geloven daar allemaal niet meer in’, waarop ik zei: ‘Da’s nu juist de moeilijkheid met jullie!’
Daar hebben we toen een lang gesprek over gehad. Helaas is het geloof in engelen binnen de kerken aan het teruglopen alhoewel de beschermengel binnen de katholieke kerk toch nog wel een mooi plaatsje heeft. Maar binnen de protestantse kerken word je toch raar aangekeken als je over engelen spreekt.
Toen ik mijn eerste boek over engelen ‘Engelen als beschermers en helpers der mensheid’ geschreven had, zeiden mijn protestantse vrienden: ‘Zijn wij van het houtje geworden?’ Daar moest ik erg om lachen, want als je in de bijbel kijkt, dan komen daar toch echt veel en veel meer engelen dan bakkers in voor! De beschermengel beschermt voor veel zaken en al die engelen zijn er om met liefde over ons te waken en ons te begeleiden bij de opwekking van onze onsterfelijke ziel en haar jubelzang in de harmonie der sferen.
Terwijl we ons levenspad lopen, is de belangrijkste vraag die we ons zelf moeten stellen:
hoe voed ik mijn ziel? Al het andere is lapwerk.

Mijn laatste vraag aan u: ‘Welk advies kunt u geven voor de volgende generaties?’

Eén advies: WORD WEER STOER.
Dat betekent onverzettelijk en krachtig, ook op geestelijk gebied.
Deze generatie is zo ontzettend verwend en door rijkdom verwekelijkt ondanks het feit dat men veel aan sport doet. Mensen gaan van de ene auto in de andere, ze bewegen bijna niet meer en ze komen veel te weinig buiten waardoor ze te weinig licht krijgen.
Ik zeg uitdrukkelijk tegen hen: WORD WEER STOER, want er is zwaar weer op komst, train jezelf op overleven.
De volgende generatie zal het nog moeilijk genoeg krijgen en dan moeten de mensen niet verwend zijn en zeggen: ‘De Staat zorgt wel voor ons.’ Geloof me, de Staat zorgt nergens meer voor! Ze zullen het zelf moeten doen.
Mijn aanrader is dus: WORD WEER STOER.


Dokter Moolenburgh, hartelijk dank voor dit uitgebreide interview. 




Juli 2008 

Redactie: © Werkgroep Wij Worden Wakker 
Afbeeldingen: © Werkgroep Wij Worden Wakker