We schieten tekort bij kanker

Volgens de reguliere geneeskunde is er geen bewezen effectief alternatief voor chemotherapie, chirurgie of bestraling tegen kanker. Patiënten die hun behandeling uitstellen om een alternatief te proberen, brengen volgens hen hun leven in gevaar en verkleinen hun kans op overleving.

Een zevenjarige Amerikaanse jongen met een hersentumor, Neon Roberts, was onlangs in het nieuws omdat zijn moeder Sally probeerde te voorkomen dat hij een operatie en bestraling zou ondergaan. Zij had een aantal mogelijke alternatieven voorgesteld, die volgens haar veiliger waren en even effectief. Haar belangrijkste zorg was gericht op de bijwerkingen van bestraling. Ze haalde onderzoeken aan waaruit viel op te maken dat deze behandeling het IQ van een kind met maar liefst zestien punten kan verlagen. Daardoor verzeilt een kind met een gemiddeld IQ (100) in het gebied van ‘laag’ tot ‘zwakbegaafd’.

Sally Roberts stelde zeven mogelijke alternatieve behandelingen voor, waaronder lichttherapie, boorneutronentherapie (boron neutron capture therapy) en immunotherapie, waarbij de beschermende kracht van het eigen immuunsysteem wordt geactiveerd om kankercellen te bestrijden. Maar het ziekenhuis dat Neon behandelde, verwierp al die therapieën als ‘experimenteel en onbewezen’ en vond dat ze zich daarmee op ‘onbekend terrein’ zouden begeven.

Dit is een argument dat oncologen vaak gebruiken. Het impliceert dat de reguliere behandelingen chemotherapie, radiotherapie en chirurgie wel aan rigoureuze onderzoeken zijn onderworpen en dat ze bewezen succesvol zijn, terwijl de alternatieven nooit goed onderzocht zijn en de klinische onderzoeken die ermee gedaan zijn ondeugdelijk waren of aantoonden dat ze niet werkten. Ook de rechter die de zaak van Neon en zijn moeder beoordeelde, beaamde in zijn conclusie: ‘Het lijkt mij hoogst onwaarschijnlijk dat artsen een alternatief als behandeling zouden afhouden die de overlevingskans zou kunnen verbeteren.’

De werkelijkheid is veel minder simpel, en behoorlijk zorgwekkend. Ethiek, geld, professionele status, manipulatie van onderzoeksgegevens, misleiding en regelrechte fraude spelen allemaal een rol bij de gemankeerde informatie die wij over kankerbehandelingen krijgen.

Reguliere behandelingen
Door de afwijzing van alternatieven wordt impliciet beweerd dat de reguliere behandelingen effectief zijn. Hoewel er veel klinisch-wetenschappelijke onderzoeken naar de drie pijlers van de reguliere behandeling zijn gedaan, voldeden die maar zelden aan de ‘gouden standaard’ van een dubbelblind placebogecontroleerd onderzoek, waarbij de behandeling of het middel een tijdlang wordt getest in vergelijking met een placebo ofwel een nepmiddel of -behandeling. Dit gebeurt bij kanker zelden, omdat de medische ethiek het niet toestaat een behandeling aan een patiënt te onthouden. Maar zonder de mogelijkheid van zo’n vergelijkend onderzoek beantwoorden de studies vaak niet basisvragen zoals: zou het de patiënt beter zijn vergaan met een andere therapie? Wat zou er gebeurd zijn als de patiënt de therapie niet had gekregen? Heeft de therapie daadwerkelijk het leven van de patiënt verlengd?

Chemotherapie
Dit is het belangrijkste antwoord op kanker vanuit de geneeskunde. Giftige stoffen die cellen doden (cytotoxische middelen) worden ofwel op zichzelf of na een operatie of bestraling gegeven. In dat laatste geval heten ze adjuvante therapie. Het doel is genezing (ofwel remissie) van de kanker of verlichting van de symptomen, als genezing niet mogelijk is. Er zijn veel verschillende cytotoxische middelen, maar gemiddeld spreken de artsen van een slagingspercentage van 50 procent. Dat betekent dat de patiënt met chemotherapie in de helft van de gevallen nog vijf jaar doorleeft. Dat klinkt aantrekkelijk voor een patiënt die anders een levensverwachting in de orde van maanden heeft in plaats van jaren. Maar het werkelijke succespercentage van chemotherapie ligt veel en veel lager, namelijk zo rond de 2 procent. Bij chemotherapie heeft de patiënt dus 2 procent kans dat hij na vijf jaar nog in leven is.

Relatief risico
Hoe kunnen die twee cijfers zo extreem verschillen? Dat heeft te maken met de manier waarop je uitkomsten van onderzoek presenteert. Onderzoekers willen de resultaten van hun onderzoek nog wel eens zo gunstig mogelijk formuleren, vaak omdat de sponsor toevallig de producent van het geteste middel is. Een geijkte manier van deze vorm van misleiding is het presenteren van de cijfers in de vorm van relatief risico in plaats van absoluut risico.

Stel dat u osteoporose heeft, de ziekte waarbij de botten brozer worden. In het stadium waarin uw risico op het krijgen van een botbreuk 4 procent is, kan een geneesmiddel dat risico misschien doen dalen tot 2 procent. Er zijn twee manieren om die risicoreductie te presenteren. Als relatief risico: het middel heeft een slagingspercentage van 50 procent want het botbreukrisico is van 4 naar 2 procent gedaald. Dat klinkt zeer aantrekkelijk. Maar in absolute termen, de tweede manier van presenteren, is de effectiviteit slechts 2 procent.

Onderzoekers hebben jarenlang de effectiviteit van chemotherapie in relatieve termen gepresenteerd. Uit enquêtes onder oncologen blijkt dat dit van grote invloed is geweest op de manier waarop zij de effectiviteit van de middelen aan hun patiënten hebben voorgelegd. Ook is het van invloed geweest op de manier waarop in de media over kankerbehandelingen is bericht.

Ontmaskering
De discrepantie tussen relatief en absoluut risico is in 2004 aangekaart door vooraanstaande oncologen in Australië, sommige met invloed op het medisch beleid in dat land. Zij hadden de allerbeste klinisch-wetenschappelijke onderzoeken uitgekozen, en bekeken enkel die studies waaruit bleek dat chemotherapie tot een statistisch significante verhoging van de vijfjaarsoverleving had geleid. Desondanks concludeerden de onderzoekers dat de toegevoegde waarde van chemo voor de vijfjaarsoverleving in absolute zin slechts 2,3 procent was in Australië, en 2,1 procent in de Verenigde Staten. Volgens de onderzoekers zouden in alle ontwikkelde landen soortgelijke cijfers te verwachten zijn 1.
Hoewel het verschil tussen absoluut en relatief risico het leeuwendeel verklaarde van de verschillen in claims over effectiviteit, ontdekten de Australische onderzoekers toch ook dat de cijfers over overleving een vertekend beeld gaven. De enige belangrijke cijfers zijn namelijk de verlenging van betekenisvol leven en verbetering van de kwaliteit van leven. Maar de onderzoekers hadden hun overlevingspercentages vaak bewerkt door vage termen te gebruiken als ‘progressievrije overleving’, zonder harde gegevens over hoe lang de kanker weg bleef. Dat hield in dat een patiënt bij wie de kanker alleen maar een paar maanden ‘progressievrij’ was, dus niet voortwoekerde, als een succes geclassificeerd werd.
In het algemeen kan chemotherapie de ernstigste symptomen verlichten en bij sommige zeldzame kankervormen kan ze zeer effectief zijn. Maar levensreddend bij de meest voorkomende vormen van kanker, zoals ze in de geneeskunde wordt gepresenteerd, is ze volgens deze onderzoekers niet.

Bestraling
Het goede nieuws is dat bestraling (radiotherapie) kankercellen doodt. Tumoren krimpen ervan en de ergste symptomen nemen af. Bestraling is tevens geschikt als aanvullende therapie na een chirurgische behandeling. Het slechte nieuws is dat ook gezonde cellen door bestraling worden gedood en dat er maar heel weinig bewijs bestaat dat radiotherapie genezend werkt tegen kanker.

In essentie worden bij radiotherapie met hoogenergetische straling kankercellen gedood door schade aan hun DNA, waardoor ze niet meer kunnen delen en zich niet meer verspreiden. De straling kan van buitenaf worden toegediend of door radioactief materiaal dat in het lichaam is gebracht vlak bij de tumor. Dat laatste heet brachytherapie of interne radiotherapie.

Maar de nadelen van radiotherapie zijn misschien wel even groot als de voordelen. In een onderzoek met 470.000 kankerpatiënten, dat weliswaar al twintig jaar geleden is gedaan, bleek dat 27 procent niet aan de kanker was overleden, maar aan de behandeling. In veel gevallen was door chemo- en radiotherapie schade ontstaan aan het hart en het ademhalingsstelsel 2. Bovendien leek radiotherapie de voordelen van chemotherapie op te heffen bij vrouwen met borstkanker. In een onderzoek werd gevonden dat het aantal levens dat door chemotherapie werd gered, gelijk was aan het aantal levens dat de radiotherapie kostte 3.

Ook de zorgen van Neons moeder lijken reëel. Het blijkt dat bij kinderen die radiotherapie krijgen voor een hersentumor de cognitieve ontwikkeling en het IQ (intelligentiequotiënt) afnemen. Een analyse van 29 onderzoeken concludeerde dat de woordenschat en het redeneringsvermogen (het verbale IQ) en het oplossend vermogen (het performale IQ) van de kinderen, evenals hun intellectuele functioneren en oplettendheid, ‘ernstig verstoord’ waren. Kinderen die zowel chemotherapie als radiotherapie kregen, en kinderen die langer na de diagnose werden onderzocht op IQ, hadden de laagste scores 4.

Chirurgie
Een operatie om de tumor weg te snijden is de oudste geneeskundige interventie bij kanker: al sinds de zestiende eeuw wordt ze toegepast. Hoewel van de reguliere interventies de minst schadelijke, en soms zelfs levensreddend, kan ze ook het probleem verergeren. Verder is chirurgie beperkt tot de minder kwaadaardige tumoren.

Hoewel chirurgie de ernstigste symptomen van een kanker kan verlichten, blijkt ze niet altijd levensverlengend te zijn. Dit is bijvoorbeeld gebleken bij een onderzoek naar prostaatkanker bij patiënten die ofwel een plaatselijke operatie ofwel radicale prostatectomie (prostaatverwijdering) hadden ondergaan, of helemaal niets. Zij ontdekten dat wie een operatie had laten doen niet langer leefde dan wie niets had gedaan. De absolute verschillen tussen de drie groepen – in totaal 731 mannen met een leeftijd van gemiddeld 67 jaar – waren kleiner dan 3 procent, aldus de onderzoekers5.

Wat zijn de alternatieven?
Hoe minimaal ook, de reguliere behandelingen zijn de enige waarvan ten minste enig bewijs is dat ze kunnen helpen, aldus de artsen die in de rechtszaak tegen Sally Roberts gehoord werden. Onderzoeker Andrew Vickers van het Memorial Sloan-Kettering Cancer Center in New York formuleerde het zo: alternatieven zijn niet alleen onbewezen – ze zijn bewezen ineffectief 6.

Daarmee suggereert Vickers dat er vele klinische onderzoeken zijn gedaan waarin alternatieve behandelingen grondig getest zijn maar niet werkzaam bleken. Dat is echter niet het geval, zo bevestigt ook het National Cancer Institute (NCI) van de VS, dat onderzoek doet naar verschillende kankerbehandelingen. Daarvoor zijn verschillende redenen, geven zij aan. De allereerste is waarschijnlijk de hoofdreden: gebrek aan geld. De farmaceutische industrie is vrijwel de enige geldschieter voor medisch onderzoek en er zijn niet genoeg instanties of individueel geïnteresseerden die de enorme rekening van een volledig onderzoek naar alternatieve behandelingen kunnen of willen betalen.
De tweede reden is dat er toch maar weinig academici bereid zouden zijn dat onderzoek te doen. Omwille van hun eigen prestige en status zullen maar weinigen willen worden geassocieerd met wat voor een kwakzalverbehandeling doorgaat. De derde reden is een onoplosbare: als artsen en onderzoekers nog niet geloven in een alternatieve behandeling, is het dan wel ethisch dat ze haar in een klinisch onderzoek aan patiënten geven in plaats van de behandeling waarin ze wel geloven?

Bewijzen, bewijzen
Ondanks deze hindernissen zijn er veel alternatieven waarvoor meer onderbouwing is dan de sceptici beweren, zij het niet volgens de rigoureuze standaarden van een goed klinisch- wetenschappelijk onderzoek.
In de loop der jaren zijn veel alternatieven uitgeprobeerd. Van sommige zijn honderden casusbeschrijvingen bewaard gebleven, met succesvolle behandelresultaten. Voorbeelden zijn hoge doseringen intraveneus vitamine C, behandeling met waterstofperoxide, behandeling met runderkraakbeen, Essiackruiden (Flor Essence), Coleytherapie en Hoxseytherapie.
Er zijn ook alternatieven waarbij iets meer bekend is over de werking. Hieronder vijf van zulke therapieën.

Gersondieet
Dit is een van de meest veelbelovende behandelingen. Bij deze natuurlijke therapie wordt het eigen helend vermogen van het lichaam geactiveerd door middel van een biologisch vegetarisch dieet met onder andere rauwe sappen, koffiedarmspoelingen en supplementen. Hoewel er geen gecontroleerde onderzoeken in wetenschappelijke tijdschriften over zijn gepubliceerd, zijn er wel vele klinisch-wetenschappelijke onderzoeken gedaan naar deze therapie, al dan niet vergeleken met niet-behandelen.

In een van die onderzoeken werden achttien patiënten met dikkedarmkanker en 38 met borstkanker verdeeld in een groep die het dieet gebruikte na operatie en een groep die dat niet deed. Beide groepen zetten tevens een eventuele reguliere therapie voort. Drie van de negen patiënten in de Gersondieetgroep verlengden hun overlevingstijd tot 28,6 maanden, vergeleken bij 16,2 maanden in de niet-dieetgroep7. In een ander onderzoek, door de Gersons Research Organization in San Diego, werden 153 patiënten met huidkanker stadium I tot IV gevolgd. Alle veertien patiënten met stadium I of II waren zeventien jaar na de Gersonbehandeling ziektevrij, terwijl 70 procent van de patiënten met stadium-III-melanoom vijf jaar later nog in leven was, vergeleken bij gemiddelden van 27 procent en 42 procent in de algehele bevolking. Het meest indrukwekkend was nog het resultaat bij de patiënten met stadium IV ofwel eindstadium: 39 procent was vijf jaar later nog in leven, terwijl het gemiddelde in dit stadium maar 6 procent is voor mensen die de reguliere behandeling ondergaan 8.

Antineoplastonen
Meer dan zestig klinisch-wetenschappelijke onderzoeken zijn er uitgevoerd met deze alternatieve behandeling waarvan dr. Stanislaw Burzynski de pionier is, die werkt vanuit een kliniek in Houston (Texas). Hierbij worden synthetische stoffen genaamd antineoplastonen gebruikt. Deze bestaan grotendeels uit peptiden en aminozuren en helpen het lichaam de kanker te bestrijden 9, 10.

Volgens Burzynski zijn antineoplastonen onderdeel van het ‘natuurlijke biochemische afweersysteem’ van het lichaam, dat los van het immuunsysteem werkt en het lichaam beschermt tegen ziekten als kanker. Volgens die theorie hebben kankerpatiënten dus een tekort aan antineoplastonen. De therapie houdt in dat antineoplastonen afkomstig uit menselijk bloed of urine per injectie of pillen worden toegediend, om die tekorten aan te vullen. Wie deze behandeling wil ondergaan, kan dat alleen als onderdeel van een van de klinisch-wetenschappelijke onderzoeken van Burzynski, die enkel toegankelijk zijn voor patiënten wier tumor blijft groeien ondanks conventionele behandeling.
Burzynski beweert dat hij meer dan achtduizend mensen met succes behandeld heeft tegen kanker, maar zijn critici zeggen dat nog nooit een arts die niet aan zijn kliniek is verbonden, een van zijn onderzoeken met succes heeft herhaald. .

Co-enzym Q10
Er bestaan indrukwekkende casussen en een aantal klinisch-wetenschappelijke onderzoeken waaruit de effectiviteit van co-enzym Q10 tegen kanker blijkt, al is er nog nooit een volledig gecontroleerd onderzoek geweest. In een van de casusbeschrijvingen kregen drie vrouwen met borstkanker dagelijks 390 mg co-enzym Q10 – de gebruikelijke dosering ligt rond 90 mg – en na vijf jaar was er bij een van hen geen enkel spoor meer van een tumor in de lever, die uitgezaaid was vanuit de borst (en geen tekenen van een tumor elders). Bij een tweede waren uitzaaiingen in de borstholte volledig verdwenen en de derde had geen tekenen meer van enige tumor of uitzaaiingen 11.

Co-enzym Q10 is ook met succes als complementaire behandeling gebruikt naast chemotherapie. In een onderzoek waarin 32 vrouwen met borstkanker anderhalf jaar gevolgd werden terwijl ze supplementen met antioxidanten slikten en 90 mg co-enzym Q10 per dag, waren alle vrouwen nog in leven aan het eind van het onderzoek, terwijl tevoren was uitgegaan van vier sterfgevallen. Bij zes van de vrouwen waren er tekenen van gedeeltelijke vermindering van de kanker. Alle vrouwen meldden tevens een verminderd gebruik van pijnstillers, een goede kwaliteit van leven en geen gewichtsafname 12.

Hyperthermie
Dit alternatief – waarbij de tumor aan hoge temperaturen wordt blootgesteld – trekt steeds meer aandacht van onderzoekers. In een onderzoek met 105 patiënten met rectumkanker kregen er 61 warmtetherapie na de reguliere behandeling. Ze kregen maar liefst vier behandelingen van een uur met als doeltemperatuur 40,5 graden Celsius. Het percentage positieve respons – gedefinieerd als het uitblijven van uitzaaiingen terwijl de tumor minstens enigszins slinkt – was drie keer zo hoog bij de warmtetherapie als bij degenen die enkel de reguliere behandeling hadden gehad. (Zie ook het kader Het geheim van de president.)

Het succes van hyperthermie blijkt niet alleen uit dit onderzoek, maar is ook gezien bij wekedelentumoren en bij baarmoederhalskanker in een gevorderd stadium 13.

Avemar
Deze oplossing van gegist tarwekiemextract en water is tot nu toe ongeveer dertig keer wetenschappelijk onderzocht. Ze is vooral toegepast als aanvullende therapie bij chemotherapie of bestraling en de patiënt verging het in het algemeen beter met dan zonder. In een onderzoek bij patiënten met huidmelanomen die behandeld waren met chemotherapie, overleefden degenen die daarnaast ook met Avemar waren behandeld gemiddeld bijna 59 maanden, vergeleken bij ongeveer dertig maanden voor de groep die alleen chemotherapie kreeg 14.

Gloort er licht aan de horizon?
Ondanks de aanhoudende klachten dat alternatieve behandelingen van kanker niet bewezen zijn, zijn veel mensen net als Sally Roberts op zoek naar alternatieven voor de standaard medische behandeling. Uit een enquête onder 394 overlevenden van borstkanker in Maleisië bleek dat 51 procent van hen enige vorm van alternatieve geneeskunde toepaste. Van hen gebruikte rond 80 procent een vitamine- of ander voedingssupplement, voornamelijk om hun dagelijkse activiteiten beter aan te kunnen en om hun immuunsysteem en emotionele welzijn te versterken. Hoewel vrienden en familie meestal de bron van informatie over alternatieven waren, vermeldde ongeveer 25 procent dat hun arts ze had verteld over deze behandelingen. Daar zijn artsen kennelijk helemaal niet zo eenzijdig overtuigd van de standaard medische behandelingen. Wellicht kunnen ‘onze’ artsen daar nog iets van opsteken15.

Lees verder onder de noten 

1 Clin Oncol [R Coll Radiol], 2004; 16: 549-560
2 J Natl Cancer Inst, 1993; 85: 979-987
3 J Clin Oncol, 1994; 12: 447-453
4 Dev Med Child Neurol, 2012; doi: 10.1111/dmcn.12020
5 N Engl J Med, 2012; 367: 203-213
6 CA Cancer J Clin, 2004; 54: 110-118
7 Aktuel Ernahrungsmed, 1990; 2: 72-78
8 Altern Ther Health Med, 1995; 1: 29-37
9 Physiol Chem Phys, 1977; 9: 485-500
10 Drugs Exp Clin Res, 1990; 16: 361-369
11 Biochem Biophys Res Commun, 1995; 212: 172-177
12 Mol Aspects Med, 1994; 15 Suppl: s231-240
13 Int J Hyperthermia, 2012; 28: 707-714
14 Cancer Biother Radiopharm, 2008; 23: 477-482
15 Asian Pac J Cancer Prev, 2012; 13: 4081-4086

Het schandaal van het Gonzalezonderzoek
Zelfs wanneer een alternatieve behandeling enige erkenning geniet en er een grote som geld beschikbaar komt voor onderzoek, kan ze nog ten prooi vallen aan negatieve propaganda, mismanagement, manipulatie van gegevens of erger. Dit ondervond dr. Nicholas Gonzalez, nadat het Amerikaanse National Cancer Institute (NCI) een budget van 1,4 miljoen dollar vrijmaakte voor een onderzoek waarin zijn pancreasenzymtherapie zou worden vergeleken met een nieuwe chemotherapeutische behandeling voor mensen met een inoperabele alvleeskliertumor.

Dr. Gonzalez werkt vanuit zijn kliniek in New York al sinds eind jaren tachtig met een voedingssupplement met enzymen, op basis van de bevindingen van zijn universitair collega dr. Donald Kelley. Kelley wilde heel graag dat zijn therapie onafhankelijk zou worden onderzocht, maar hij overleed voordat hij dat kon meemaken. Gonzalez had dezelfde hoop en in 1998 leek hun droom uit te komen, toen het NCI aankondigde dat het een klinisch gecontroleerd wetenschappelijk onderzoek zou financieren onder leiding van dr. John Chabot van de universiteit van Columbia. De enzymtherapie zou vergeleken worden met een nieuw drievoudig chemotherapeutisch middel, GTX.

Op eigen initiatief schreef dr. Chabot vervolgens een artikel voor het Journal of Clinical Oncology, waarin hij meldde dat GTX effectiever was dan enzymtherapie. Oppervlakkig gezien leek zijn evaluatie – zij het zonder medeweten van Gonzalez gepubliceerd – correct te zijn: de patiënten die GTX hadden gekregen, verging het beter dan degenen die enzymtherapie hadden gekregen. Wat echter niet werd vermeld, was dat Chabot ernstig zieke patiënten had geworven voor de enzymgroep, waarvan de meeste te ziek waren of niet in staat om zich aan de therapie te houden.

Een onafhankelijk onderzoek door een afvaardiging van de National Institutes of Health naar de methoden van dr. Chabot onthulde dat hij 42 van de 62 patiënten die aan het onderzoek deelnamen op foutieve wijze had toegelaten. De Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA) was het daarmee eens en plaatste een mededeling op zijn website dat Chabot onvoldoende had zorggedragen voor informed consent (de op informatie gebaseerde toestemming van de patiënt die gegeven moet worden om mee te doen aan een onderzoek), de onderzoeksopzet niet had nagevolgd en ondeugdelijke registratie van metingen had gedaan.

Later ontdekte Gonzalez dat Chabot zelf een van de voorvechters en uitvinders van GTX was, de chemotherapie waarmee zijn enzymtherapie was vergeleken. Daardoor waren vanaf het begin de kaarten ten nadele van enzymtherapie geschud. Zoals Gonzalez het zei: ‘De onderzoekers en de artsen waren vanaf het begin bevooroordeeld en konden zich niet voorstellen dat mijn “vreemde” voedingssupplement van enige waarde kon zijn in de behandeling van kanker in een gevorderd stadium. Door dat vooroordeel faalde het onderzoek uiteindelijk en werd het noodzakelijk om aan te tonen dat mijn therapie waardeloos was. Achteraf bezien denk ik dat de bevooroordeeldheid zo groot was bij de uitvoerders van het onderzoek, dat een legitieme wetenschappelijke uitkomst bij voorbaat uitgesloten was.’

Het geheim van de president
Elke stap die een president van de Verenigde Staten zet wordt door de pers op de voet gevolgd, of die nu een verdrag tekent of zijn hond uitlaat. Maar toen Ronald Reagan kanker had en met succes behandeld werd met een alternatieve therapie, was het opmerkelijk stil.

Reagan werd in de jaren zeventig met hyperthermie behandeld door de bekende kanker-‘kwakzalver’ dr. Hans Nieper. Daarbij worden kankercellen aan zeer hoge temperaturen blootgesteld. De behandeling was succesvol en Reagan leefde nog vijftien jaar verder.

Dit was niet de enige keer dat de pers zich stilhield over Nieper en alternatieve behandelingen. In die tijd werkte Nieper in het Memorial Sloan-Kettering Cancer Center in New York. Volgens vooraanstaande collegae als Robert Good, Lloyd Old en Lewis Thomas was hij een van de scherpsten van geest. Hij was al vroeg een voorstander van laetrile, een stofje dat in abrikozenpitten zit. Op dit moment is deze behandeling niet alleen in ongenade maar zelfs verboden in sommige landen, maar in 1974 hadden Sloan-Kettering-onderzoekers voor het eerst wat positieve resultaten gemeten met laetrile bij proefdiermuizen. Een van de hoofdonderzoekers stuurde zelfs zijn eigen moeder naar Hannover, waar Nieper haar kanker behandelde met laetrile.

Uiteindelijk was de officiële conclusie van het Sloan-Kettering dat laetrile een nepmiddel was en dat de therapeuten oplichters waren die misbruik maakten van wanhopige patiënten, al heeft de hoofdonderzoeker die veroordeling nooit onderschreven. Dr. Kanematsu Sugiura zei: ‘Ik schrijf wat ik zie. Laetrile is een goed palliatief middel.’

In de tussentijd was Nieper zich op andere behandelingen gaan richten. Hij is de ontdekker van de kankerbestrijdende bestanddelen die bekendstaan als de nitro-amandelzuren ureyl-, nicotinyl- en para-aminobenzeen en, meer recent, van de iridoïden afgeleid van een Australische miersoort (meat ants).

Maar Nieper heeft nooit mogen meemaken dat zijn werk fatsoenlijk geëvalueerd werd, laat staan geaccepteerd. Als de pers al aandacht aan hem besteedde, was het om hem een charlatan en fraudeur te noemen. Zijn successen, zoals met president Reagan, zijn nooit besproken. Dr. Nieper overleed in 1998.

De waarheid uitfilteren
Iedereen weet dat de bijwerkingen van chemotherapie net zo erg kunnen zijn als de kanker die ermee behandeld wordt. Maar naar het schijnt zijn ze nog erger dan artsen ons vertellen. In een analyse van onderzoeken naar de bijwerkingen van chemotherapie is een alarmerend hoog gehalte aan fraude ontdekt, waarbij de gevaarlijke bijwerkingen van het onderzochte middel worden gebagatelliseerd of zelfs genegeerd.
Onderzoekers aan de universiteit van Toronto hebben 164 onderzoeken naar chemotherapie geanalyseerd en vonden daar veel filtering van feiten, die voor oncologen en leken misleidend zijn. In twee derde van de publicaties werden de negatieve bijwerkingen van middelen gebagatelliseerd, met name in onderzoeken waaruit de behandeling als effectief uit de bus kwam. In deze klinisch-wetenschappelijke onderzoeken was het werkelijke risico-rendementsplaatje dus verbogen; als de werkelijke bijwerkingen waren gerapporteerd, zou het rendement van de behandeling misschien minder aantrekkelijk zijn geweest.

De onderzoekers vonden ook veel verdraaiingen bij de ‘eindpunten’ van onderzoeken. Het ‘eindpunt’ geeft aan wat het hoofddoel van het onderzoek is. Dat kan zijn om na te gaan hoe lang de patiënt nog leeft na de behandeling of hoe effectief een nieuwe behandeling is ten opzichte van een oudere. Vaak werd het primaire eindpunt echter gemist – het onderzoek kon datgene niet aantonen waar het voor bedoeld was – zodat de onderzoekers zich op een ‘secundair eindpunt’ gingen richten, dat vaak een interessante maar minder belangrijke conclusie opleverde. Dat doet vermoeden dat de onderzoekers vaak geen effectiviteit kunnen bewijzen van een chemotherapeutisch middel en vervolgens de teleurstellende resultaten maskeren door zich in plaats daarvan te richten op een secundair voordeel. Zodoende bleek dat 33 procent van de geanalyseerde onderzoeken wel positief over chemotherapie leek uit te vallen maar dat in feite niet deed1.

Bron: Ann Oncol, 2013; doi: 10.1093/annonc/mds636

Bryan Hubbard

Met dank aan Medisch Dossier  www.medischdossier.org