Feiten rond de realtie tussen cholesterol en hartziekten

 

Medisch Dossier oktober 2011
Al vijftig jaar lang wordt ons wijsgemaakt dat vetarme voeding en statines ons ‘slechte’ cholesterol moeten bestrijden. Maar ons lichaam maakt dat niet voor niets aan. Het beschermt ons tegen hartproblemen en zou wel eens ons beste verdedigingsmechanisme kunnen zijn.

Elk jaar wordt alleen al in de Verenigde Staten 26 miljard dollar uitgegeven aan statines (het medicijn tegen verhoogd cholesterol en hartproblemen). Minimaal het dubbele wordt betaald voor vetarme voedingsmiddelen, margarine en zuiveldranken. Dat is allemaal bedoeld om het gehalte aan ‘slecht’ LDL-cholesterol − dat de aderen zou verstoppen − te verminderen. Maar het begint erop te lijken dat wij al vijftig jaar op het verkeerde been zijn gezet met deze kruistocht tegen vet, dat in werkelijkheid wel eens levensreddend zou kunnen zijn. Het blijkt ons juist gezond te kunnen houden en beschermen tegen de hartziekten die het zogenaamd veroorzaakt.

Onbewezen ‘wetenschap’
Curieus genoeg is de theorie dat vet voedsel ¬– zoals vlees en zuivel – ons cholesterol verhoogt en op die manier onze aderen verstopt nooit bewezen. Toch wordt deze tot op heden nog verkondigd, precies zoals midden jaren vijftig het geval was. Web MD – een van de populairste medische internetsites – vertelt zijn bezoekers: ‘LDL-cholesterol (low-density lipoproteïne) kan het ook niet helpen dat het slecht is, dat ligt gewoon aan de chemische samenstelling. Die zorgt ervoor dat bloedvaten vernauwen.’ En ook: ‘Een LDL-cholesterolverlagend dieet bevat weinig verzadigd vet en voedingscholesterol. Door meer vezels en plantaardige sterolen te eten, zoals cholesterolverlagende margarine, kunt u het LDL-gehalte nog verder omlaag brengen’1. De site gaat compleet voorbij aan veertig jaren van onderzoeken waaruit blijkt dat deze beweringen niet kloppen. Nog in de afgelopen twee maanden zijn twee onderzoeken gepubliceerd die bevestigden wat een minderheid van de hartspecialisten al lang vermoedde: vet voedsel verhoogt het cholesterolgehalte niet.
Ze stelden ook iets vast dat de hele cholesteroltheorie onderuithaalt: cholesterol beschermt ons juist tegen hartziekte. Het zogenaamd slechte LDL-type – de tegenhanger van HDL-cholesterol (high-density lipoproteïne), dat kennelijk de slechte werking daarvan ongedaan maakt – speelt daarbij een vitale rol.

Hypothese of sprookje?
Het eerste deel van de hypothese – dat een vetrijk voedingspatroon tot hartziekte leidt – is weerlegd in een nieuw onderzoek. Daarbij werden 3630 mannen en vrouwen van middelbare leeftijd opgesplitst in twee groepen: 1815 personen die een hartaanval hadden gekregen en eenzelfde aantal gezonde personen in de controlegroep.
De onderzoekers van de Brown University in Providence (VS) ontdekten dat beide groepen een eetpatroon hadden met dezelfde hoeveelheid zuivelproducten als melk, kaas, yoghurt en boter, die vol slechte verzadigde vetten zouden zitten. Uit de tien jaar durende studie bleek dat sommige proefpersonen in de gezonde groep juist veel vette zuivelproducten consumeerden, soms tot wel 593 gram per dag, en toch had geen van hen een hartaanval gekregen. De onderzoeksconclusie luidde dan ook dat ‘bewijs voor de theorie van de relatie tussen veel vet in de voeding en hartproblemen ontbreekt’2.
In een eerdere studie waren Texaanse onderzoekers nog een stap verder gegaan: zij stelden vast dat het ‘slechte’ LDL-cholesterol in feite goed voor ons is. In een onderzoek van 52 volwassenen in de leeftijd van 60 tot 69 jaar die gezond waren maar niet lichamelijk actief, ontdekten ze dat degenen met een hoog gehalte LDL-cholesterol bij krachttraining de meeste spiermassa opbouwden. In de woorden van het teamhoofd Steve Riechman: de waarheid is dat cholesterol alleen maar goed is. Men kan eenvoudigweg niet al het ‘slechte’ cholesterol uit het lichaam verwijderen zonder ernstige problemen te krijgen. Mensen zeggen soms ‘ik wil al mijn slechte cholesterol kwijt’, maar als dat gebeurde, zou je sterven3.
Hoewel dit soort onderzoeksresultaten al sinds de jaren zestig in medische tijdschriften verschijnen, worden ze nog steeds afgedaan als afwijkend of gewoonweg onjuist – omdat ze niet passen binnen de bestaande theorie.
Een minderheid van onderzoekers en artsen – waaronder degenen die zich hebben aangesloten bij groepen als The International Network of Cholesterol Sceptics (THINGS) onder leiding van de Deense onderzoeker dr. Uffe Ravnskov – houden al jaren staande dat cholesterol van vitaal belang is voor ons hart, ons lichaam en onze geestelijke gezondheid. Als dat waar is, behoeft het niet te verbazen dat statines – de medicijnen die ons cholesterol omlaag brengen – bekendstaan als oorzaak van spierschade, dementie, algehele mentale achteruitgang en zelfs kanker.
Maar niemand kan om het feit heen dat hartziekte nog steeds doodsoorzaak nummer één is in het Westen en dat arteriosclerose (vetafzetting in de bloedvaten) dikwijls wordt aangetroffen bij de slachtoffers van een hartaanval. Als de theorie ‘vet voedsel geeft cholesterol geeft vervolgens arteriosclerose’ niet klopt, hoe kon die dan ooit ontstaan?

Terug naar de jaren vijftig
Rond 1950 was ziekte van de kransslagaders van het hart (Coronary Heart Disease, CHD) uitgegroeid tot de belangrijkste doodsoorzaak in het Westen. In de Verenigde Staten was CHD verantwoordelijk voor een derde van alle sterfgevallen. Meestal betrof dit een myocard-infarct ofwel hartaanval. Meer dan vijfhonderdduizend Amerikanen overleden jaarlijks aan zo’n hartaanval. In 1930 waren dat er slechts drieduizend. Wat was de oorzaak van deze plotselinge epidemie?
Na alle ontberingen van de Tweede Wereldoorlog lag de link met het onderwerp voedsel en voedingspatroon voor de hand en onderzoekers waren al snel van mening dat onze voeding dus verantwoordelijk moest zijn. Sommigen suggereerden dat deze epidemie was veroorzaakt door het toenemende gebruik van gehard plantaardig vet in ‘nieuwere’ etenswaren als margarine en koekjes. Het aantal gevallen van hartziekte zou volgens hen afnemen als de consumptie van bewerkt voedsel zou verminderen en we net als onze grootouders meer natuurlijke producten zouden gebruiken, zoals boter.
Maar er was nog een andere voedseltheorie in opkomst. De Amerikaanse onderzoeker David Kritchevsky van het Wistar Instituut in Philadelphia (Pennsylvania) toonde aan dat konijnen die cholesterol in hun voer kregen arteriosclerose ontwikkelden4. Later in dat jaar deelde hij de American Oil Chemists Society mee dat meervoudig onverzadigde vetten – zoals in groente- en maïsolie, sojabonen, saffloer(distel)- en zonnebloemzaden – het cholesterol kunnen verlagen.
Binnen twee jaar was deze zogeheten lipidetheorie algemeen aanvaard. In een televisiecampagne in heel Amerika lanceerde de American Heart Association in 1956 het zogenaamde ‘verstandige dieet’. Daarin namen maïsolie, kip en ontbijtgranen de plaats in van boter, varkensvet, rundvlees en eieren. Een van de panelleden in het bewuste tv-programma was Ancel Keys, onderzoeker aan de universiteit van Minnesota, wiens naam voorgoed gekoppeld zou worden aan de cholesterolhypothese.
In 1958 startte Keys de invloedrijke Seven Countries Study, die het idee van het ‘mediterrane dieet’ lanceerde en nog meer voedsel gaf aan de lipidetheorie. Het onderzoek toonde een rechtstreeks verband aan tussen hartziekte en de hoeveelheid dierlijk vet in het voedsel van de bevolking in zeven landen, waaronder Japan, Finland and het voormalige Joegoslavië5.
Latere analyse van het onderzoek van Ravnskov en zijn team liet zien dat Keys zeer selectief was geweest in de keuze van zijn gegevens en alleen had gebruikt wat met zijn hypothese strookte. In werkelijkheid had hij gegevens van 22 landen gebruikt en 15 andere landen buiten beschouwing gelaten. Als Keys alle gegevens die hij had verzameld zou hebben gebruikt, zou het verband tussen voedsel en cholesterol verdwenen zijn. Dit geeft Ravnskov toe in zijn boek The Cholesterol Myths6 − dat door de medische stand werd weggehoond. In een live televisieshow werd een exemplaar zelfs publiekelijk verbrand.

Welk verband dan?
Ravnskov was echter niet de enige die moeite had om een verband te vinden tussen vetrijk voedsel en hartziekte. De US Surgeon General’s Office − die toezicht houdt op de beroepsgroep − moest tot zijn schade en schande toegeven dat zij hetzelfde probleem had. Elf jaar lang (van 1988-1999) hadden vier projectambtenaren aan het definitieve rapport over vetten en hartziekte gewerkt en beweerd dat er wetenschappelijk bewijs voor de cholesterolhypothese bestond. Uiteindelijk bracht het Office een schriftelijke verklaring uit van de laatste projectambtenaar, dat het rapport nooit zou worden uitgebracht. Bill Harlan, mededirecteur van het Office of Disease Prevention (ODP) van de Amerikaanse gezondheidsautoriteit NIH, die ook toezicht hield op het project, zei dat de conclusies in het rapport een vooringenomen mening weerspiegelden en moest toegeven dat de wetenschappelijke basis voor de conclusies ontbrak7.
Niet alleen verhoogt vette voeding ons cholesterolgehalte niet, ook ontbreekt bewijs voor de tweede helft van de theorie: dat cholesterol het risico van CHD en hartaanval verhoogt. Ravnskov stuitte op ongeveer vijftien studies die duidelijk laten zien dat cholesterol geen enkele rol speelt bij het ontstaan van ziekte van de kransslagaderen van het hart8. Zelfs het toonaangevende Framingham-onderzoek, dat sinds 1948 de hartconditie van de bevolking van een stadje in Massachusetts volgt, concludeerde dat een hoog cholesterolniveau geen voorspeller van een fatale hartaanval was. Juist het tegenovergestelde bleek het geval: mensen met een laag cholesterolgehalte hadden meer kans om aan een hartziekte te overlijden9. In een onderzoek van 997 personen van zeventig jaar en ouder kon ook geen relatie worden vastgesteld. Een hoog cholesterolgehalte vertoonde geen samenhang met enig verhoogd risico op overlijden aan CHD, hartaanval, of welke oorzaak dan ook, zo stelden de onderzoekers10.
De statistieken bieden al even weinig ondersteuning voor de cholesterolhypothese als de wetenschap. Het percentage mannen in Groot-Brittannië met een zogenaamd gevaarlijk cholesterolniveau − vijf mmol/l of hoger − is van 75 procent in 1994 gezakt naar 58 procent in 2008 (zie kader). De grootste daling wordt gezien in de leeftijdsgroep boven de 75. Daarin had slechts 39 procent van de mannen een cholesterolgehalte in de gevarenzone, vergeleken met de 79 procent bij de meting in 1994.
Maar ondanks deze drastische daling in cholesterol blijkt CHD in de periode 1998-2008 nog steeds even hardnekkig voor te komen. Bij ouderen boven de 75 − de leeftijdsgroep waarin het cholesterol juist extreem daalde − stegen de CHD-cijfers zelfs licht, van 24 procent in 1988 tot 30 procent in 200811.

Ontstekingen
Ondanks deze getallen spreken diezelfde statistieken nog steeds een eenduidige taal: coronaire hartziekte is doodsoorzaak nummer een in het Westen en een op de drie sterfgevallen is hieraan toe te schrijven. Arteriosclerose (dichtslibben van de aderen) is de belangrijkste oorzaak en deze neemt nog steeds onverbiddelijk toe. Dotteren − waarbij een ballon of stent in de ader wordt geschoven, die de plaque tegen de aderwand aandrukt − gebeurt nu zelfs vaker dan ooit. In Groot-Brittannië elke drie jaar zo’n tachtigduizend keer. Dat is drie maal zo veel als tien jaar geleden.
Als vet voedsel dus niet de oorzaak is, wat dan wel? In de geneeskunde is het een geaccepteerde opvatting dat ontsteking een oorzaak zou kunnen zijn. Zelfs conservatieve groeperingen als de AHA (American Heart Association) erkennen de rol van ontsteking bij CHD, wat in meerdere studies is aangetoond. In een daarvan werden 506 mannen die een hartaanval hadden gehad vergeleken met 1025 gezonde controlepersonen. Daaruit bleek dat ontsteking een belangrijke aanwijzing voor CHD was. Degenen met het hoogste gehalte C-reactief proteïne in hun bloed − een bekende ontstekingsmarker − hadden twee maal meer kans op CHD12.
Ontsteking is echter geen oorzaak maar een symptoom − het is de reactie van het lichaam op stress en infectie. In de geneeskunde wordt onder stress elke aanval op ons lichaam verstaan. Dat kan slechte of bewerkte voeding zijn of fastfood, of blootstelling aan chemicaliën in onze leefomgeving. Maar ook spanning en depressie of een gevoel van isolement of machteloosheid.
Welke rol speelt cholesterol in het algemeen − en het LDL-type in het bijzonder − nu eigenlijk in dit hele verhaal? Hoewel de geneeskunde een verband tussen ontsteking en CHD accepteert, blijft de conventionele visie van kracht dat LDL-cholesterol geen positief doel dient. Op de AHA-website staat: ‘Wanneer te veel (slecht) LDL-cholesterol in het bloed circuleert, wordt er een sliblaag opgebouwd aan de binnenwand van de aderen die het hart en de hersenen van zuurstof voorzien […] die “plaque” kan vormen, een dikke, harde laag die de aderen vernauwt’13.
Cholesterol, ten onrechte beschuldigd
Een nieuwe stroming hangt de mening aan dat cholesterol een positieve rol speelt bij onze gezondheid en ons welbevinden. Het kan een ontstekingsmarker zijn, maar het zou ook kunnen dat het infecties bestrijdt en schade aan onze bloedvaten probeert te repareren. In dat laatste geval is het vergelijkbaar met de good guy die wordt beschuldigd omdat hij toevallig op de plaats van de misdaad aanwezig is.
Als deze theorie klopt, is LDL-cholesterol in onze aderen aanwezig om een infectie te signaleren of schade die ontstaan is door infectie of stress te repareren. Niet omdat we te veel vet voedsel hebben gegeten.
Het belang van LDL-cholesterol is aangetoond in velerlei studies. In een meta-analyse van negentien onderzoeken uit de Verenigde Staten, Europa, Israël en Japan, die in totaal 68.406 sterfgevallen omvatte, bleek dat de meesten die aan ademhalings- of maag- en darmziekten als gevolg van infectie overleden, een heel laag cholesterolgehalte hadden14.
In een andere studie bleken de overlevingskansen van patiënten met chronisch hartfalen samen te hangen met hun cholesterolgehalte. Was dat hoog, dan was de levenskans veel hoger dan bij lage niveaus15.
Een ander onderzoek wijst op een verband tussen een laag gehalte LDL-cholesterol en bepaalde vormen van kanker, zoals de ziekte van Kahler en maag-darmkanker16,17. Niet duidelijk is echter of het lage cholesterolgehalte oorzaak of gevolg van de ziekten is.
De rol van cholesterol om onze gezondheid in stand te houden wordt zelfs nog belangrijker naarmate we ouder worden. In een onderzoek met 724 deelnemers van gemiddeld 89 jaar werd ontdekt dat bij iedere stijging van het totale cholesterol met 1 mm/l, het sterftecijfer 15 procent zakte; met andere woorden: degenen met het hoogste cholesterolgehalte leefden langer. In zijn algemeenheid had cholesterol kennelijk een beschermend effect tegen kanker en infectie18.
Naarmate we ouder worden, helpt cholesterol ook om ons geestelijk scherp te houden en beschermt het tegen dementie en mentale achteruitgang. Een onderzoek van 1051 personen van 65 jaar en ouder wees uit dat vooral degenen met een laag cholesterolgehalte hierdoor getroffen werden19.

Niet het eind van een tijdperk
In de jaren zeventig van de vorige eeuw deed dr. George Mann van de Vanderbilt University in Nashville, Tennessee, onderzoek naar het voedingspatroon en de gezondheid van de Masai, een nomadische stam in Oost-Afrika. Hun voedsel bestond bijna voornamelijk uit vlees, bloed en melk van hun vee en toch was hun cholesterol laag en kwam CHD bijna niet voor. Hieruit trok hij de conclusie dat de cholesteroltheorie ‘het grootste bedrog in de geschiedenis van de geneeskunde’ was20. Het was bedrog omdat de voedingsindustrie − en daarna de farmacie − er een fortuin aan verdienden, hetgeen tot op de dag van vandaag nog zo is.
Helaas heeft het bedrog ook tragische gevolgen. Door het LDL-cholesterol aan te pakken beroven we ons lichaam van de vitale voorraad vet die onze grootste bondgenoot is in de strijd tegen ontstekingen en besmettingen. Die hebben we juist als we ouder worden hard nodig als bescherming tegen dementie en geestelijke aftakeling. En juist ouderen krijgen gemakkelijk statines voorgeschreven.
Dementie zou wel eens niet een symptoom van veroudering kunnen zijn, maar een gevolg van de manier waarop we de afgelopen decennia met cholesterol zijn omgegaan.
Bryan Hubbard

Lees verder onder de noten over werking Cholesterol…..

1 www.webmd.com/cholesterol-management/ldl-cholesterol-the-bad-cholesterol
2Nutr Metab Cardiovasc Dis, 2011; doi: 10.1016/j.numecd.2011.02.003
3 J Gerontol A Biol Sci Med Sci; 2007; 62: 1164-1171
4Am J Physiol, 1954; 178: 30-32
5Keys A. Seven Countries: A Multivariate Analysis of Death and Coronary Heart Disease. Cambridge, Massachusetts/London: Harvard University Press, 1980
6Washington, DC: New Trends Publishing, 2000
7Science, 2001; 291: 2536-2545
8Quart J Med, 2003; 96: 927-934
9JAMA, 1987: 257: 2176-2180
10JAMA, 1994; 272: 1335-1340
11Coronary Heart Disease Statistics, 2010. London: British Heart Foundation
12BMJ, 2000; 321: 199-204
13 www.heart.org/HEARTORG/Conditions/Cholesterol/AboutCholesterol/Good-vs-BadCholesterol_UCM_305561_Article.jsp
14Circulation, 1992; 86: 1046-1060
15Lancet, 2000; 356: 930-933
16Ann Hematol, 2008; 87: 223-228
17J Exp Clin Cancer Res, 2004; 23: 233-240
18Lancet, 1997; 350: 1119-1123
19J Gerontol A Biol Sci Med Sci, 2010; 65: 559-564
20N Engl J Med, 1977; 297: 644-650

Cholesterol houdt ons in leven
Al onze cellen, behalve onze neuronen, produceren cholesterol, dat in de lever wordt gesynthetiseerd. Cholesterol is nodig:
• om de hersensynapsen te vormen, waardoor onze hersencellen communiceren;
• voor de synthese van vitamine D uit zonlicht, wat zorgt voor gezonde botten en ons beschermt tegen meerdere soorten kanker;
• om onze hersencellen in leven te houden;
• voor onze geslachtshormonen; en
• voor de productie van gal, die nodig is voor onze spijsvertering.

Een mens heeft zo veel cholesterol nodig om in leven te blijven, dat de lever vier tot vijf maal meer daarvan produceert dan wij met ons voedsel binnenkrijgen. Naarmate wij meer cholesterol consumeren, maakt de lever minder aan – een biologisch proces dat downregulatie wordt genoemd.
Een voorbeeld dat het belang van cholesterol benadrukt, is het volgende. Een kind met het Smith-Lemli-Opitz-syndroom (SLOS), een zeldzame ontwikkelingsstoornis die extreem lage cholesterolgehaltes veroorzaakt, kan als gevolg hiervan een spontane abortus ondergaan, multi-orgaanfalen krijgen of acuut overlijden, of lijden aan een aangeboren hartziekte, frequent braken, visuele gebreken of blindheid, doofheid en/of longontsteking, hart- of leverfalen met de dood tot gevolg.

Cholesterolwaarden
Zogenaamd ‘gezonde’ cholesterolgehaltes zijn aan mode onderhevig. De gemiddelde totale waarde in Groot-Brittannië is 6,1 mmol/l (millimol per liter bloed), hoewel de huidige opvatting is dat een ‘gezonde’ totale waarde 5 mmol/l is. Van die hoeveelheid neemt ons HDL ofwel ‘goede’ cholesterol 1,3 mmol voor zijn rekening, hoewel uw dokter van mening is dat alles boven de 2 mmol de voorkeur verdient. Ons ‘slechte’ LDL is doorgaans 3,5 mmol/l en alles boven de 4 mmol leidt al tot een receptje voor een statine.
Zo’n twintig jaar geleden werd een totaal cholesterol van 7 mmol/l als gezond beschouwd, maar tien jaar geleden zakte dat naar 6,5 mmol/l. Tegenwoordig wordt dit steeds naar beneden bijgesteld. Sommige deskundigen pleiten inmiddels voor een nieuwe ‘gezonde’ grenswaarde voor cholesterol van slechts 2,5 mm/l.
Onderzoekers aan de gerenommeerde Harvard Medical School zouden de LDL-norm in de VS gehalveerd willen zien. ‘Misschien wordt er ooit een brede consensus bereikt om LDL-cholesterol met statines drastisch omlaag te brengen’, zo zeggen ze1. Hun collega’s aan de universiteit van Michigan zijn echter van mening dat de huidige lage streefwaarden volkomen arbitrair zijn en niet wetenschappelijk onderbouwd2.
En het is niet alleen de medische mode waaraan uw cholesterolwaarde onderhevig is, de waarde varieert zelfs per seizoen en in de loop van de dag. Cholesterol is namelijk hoger in de wintermaanden en zakt in de zomer. De waarde stijgt als u een infectie hebt, bij stress en tijdens en na een hartaanval3.
1www.health.harvard.edu/fhg/updates/update1104b.shtml
2Arch Intern Med, 2006; 145: 520-530
3Townsend Letter, 2009; 311-361

De eeuw van de statines
Cholesterolverlagende statines behoren tot de zogeheten lifestyle-medicijnen. Zocor (simvastatine) is in Engeland zonder recept te koop bij de drogist of apotheek. Er gaan daar zelfs stemmen op dat statines aan het drinkwater moeten worden toegevoegd, zo heilzaam zijn ze volgens dr. John Reckless, voorzitter van Heart UK1.
Dit overdreven enthousiasme – in combinatie met een royaal voorschrijfbeleid van artsen – heeft van statines de meest lucratieve soort medicijnen gemaakt, met een jaaromzet van ongeveer 26 miljard dollar2.
De meeste artsen beschouwen statines als de perfecte medicijnen: ze zijn levensreddend en hebben praktisch geen bijwerkingen. Helaas ontbreekt het bewijs voor deze stelling.
• Statines redden levens. Er is maar één groep die lijkt te profiteren van het gebruik van statines: mannen die eerder een hartaanval hebben gehad. Bij gezonde mannen en vrouwen neemt de levensverwachting absoluut niet toe, zelfs al zouden ze vijf jaar lang elke dag een statine innemen. Uit de Scandinavian Simvastatin Survival Study (4S study) kwam naar voren dat statines de jaarlijkse algemene sterfte met 0,66 procent omlaag brengen, terwijl de West of Scotland Coronary Prevention Study (WOSCOPS) een 0,18 procent verlaging berekende. Zulke marginale verbeteringen worden gecompenseerd door andere onderzoeken, zoals de Expanded Clinical Evaluation of Lovastatine (EXCEL). Dat concludeerde dat iemand die deze pil slikte 0,3 procent meer kans had te overlijden dan wie dat niet deed3. De fabrikant van de statine Zetia (ezetimibe) heeft onderzoeksgegevens achtergehouden. Pas onder druk van het Amerikaanse congres gaf hij deze vrij en daaruit bleek dat het middel onwerkzaam was4.
• Geen neveneffecten. De meest gangbare bijwerking is spierpijn en spierzwakte (myopathie). Eén statine – Baycol (cerivastatine) – werd van de markt gehaald omdat deze myopathie veroorzaakte5; 31 patiënten bleken hieraan te zijn overleden. Het medicijn kan ook de ziekte van Parkinson tot gevolg hebben, een ziekte van het centraal zenuwstelsel. In een onderzoek van patiënten die door statinegebruik de ziekte hadden opgelopen, bleek dat zij een cholesterolgehalte hadden dat drie maal zo hoog was als normaal6. Ook kunnen ze geheugenverlies geven, depressie, verwardheid, prikkelbaarheid en duizeligheid. Verder zijn er ernstige geboortedefecten gezien – zoals bij thalidomide (Softenon) – en bestaat toenemende zorg dat statines ook kanker en hartfalen kunnen veroorzaken7. Inmiddels is ook ontdekt dat het de kans verhoogt op diabetes: zie het eerste bericht in de rubriek Nieuws8.

1 http://news.bbc.co.uk/2/hi/health/3931157.stm  
2‘Statins: The World Market, 2009-2024’, LeadDiscovery, at www.leaddiscovery.co.uk/reports/1421/Statins_The_World_Market_20092024/
3Ravnskov U. The Cholesterol Myths. Washington, DC: New Trends Publishing, 2000
4BMJ, 2008; 336: 180-181
5Ann Intern Med, 2002; 137: 581-585
6Mov Disord, 2007; 22: 377-381
7Kendrick M. The Great Cholesterol Con. Londen: John Blake Publishing, 2007
8JAMA, 2011; 305: 2556-2564

Bron: Medisch dossier  http://www.medischdossier.org/word-abonnee/