Op een rots gebouwd


Wandelend als kind
in het landschap van mijn jeugd – 
velden graan, wilde margrieten, korenbloemen
en in heldere sloten, omkraagd door riet,
sleutelbloem, boterbloem en lisdodde,
vuursalamander in gans zijn geelzwarte pracht.
Angelusklokje klinkt in verte zacht,
leeuwerik stijgt en daalt in kwelend lied,
ebben en vloeden
van het verstilde leven.

Hoefslag van de tijd,
in zacht galop van paard voor boerenwagen,
slechts enkele claxons van gehaast verkeer.
Bloesemgeur, geur van ijzerregen
en heel veel lentezegen,
najaarsboeket, kleuren van vergaan,
geur van laatste hooi en stro.
De winter tekent alweer bloemen op de ramen
en scherpgepunte schaatsen krassen lijnenspel
in ijs van lang vervlogen tijd.
Geur van chocolademelk en knapperige appelbol,
kinderlach en oude man met stok,
moederkloek bij kleurige kinderschaar.

De wereld veranderde zo snel,
als met de snelheid van het licht,
en tekende in ons aller gezicht
een andere tijdslijn af,
tot in groeven van gekwelde ziel.

Weldra groeiden atoompaddestoelen
in vervuilde lucht,
verstoorden stalen vogels de glijvlucht
van de zilvermeeuw aan witgekorrelde stranden.
Machines tikken trage tijd nu hard kapot,
lang lawaai verstoort de zoete stilte
van het landschap van mijn jeugd.

Snelverkeer, computer, e-mail, fax en internet,
telefoon, tv, satelliet, camera
en spiedende elektronische ogen achter maskers
controleren horizontale cultuur
die als een halfvergaan sculptuur
zich aftekent tegen zwarte nacht vol geweld
waarin duizenden emoties openbarsten
als rijp zaad van haat en angst.

De wan wordt geschud, koren van kaf gescheiden,
het oude van het nieuwe weggesneden
door het zonnezwaard van licht
dat in verscheurde aarde werd geplant,
dwars door velden van lijden brede voren trekt,
nieuwe oogst der wereldronde zichtbaar maakt
tussen zeeën stress, spanning, geweld
en waan van steeds maar meer
terwijl het grote sterven in allerlei soorten
naar steeds weer nieuwe graven zoekt.

Wolken van haat en godsdienstwaan,
van menselijke arrogantie, egoïsme en angst
trekken een mistgordijn voor de innerlijke zon.
Plots scheurt de hemel zijn watervliezen open
waait stormwind wijd de wereld door
laait hoog op het zuiverend vuur
snelt de oude aarde naar haar stervensuur
om straks als een feniks uit haar as te herrijzen
terwijl het wrakhout van de leugen knakt
door wind van waarheid
en lichtend uur.

Maar op een rots gebouwd
staat onvernietigbaar rechtop
het huis van waarheid en waarachtigheid,
gebouwd op zeven zuilen licht,
reddingsboei in wateren van onzekerheid.

In woeste wateren van een nieuwe tijd
wordt schokkend een nieuwe aarde geboren,
lichtend, maar brandend nog van oude pijn,
uit vliezen van verleden tijd.

Astrale velden wasemen laatste zwarte krachten uit
en in de wassing van een nieuwe tijd
storten demonen als schaduwen zich op het licht.
Korrels zand van dode mensenakkers
die geen bloemen meer verdragen
verwaaien als stof in richtingloze streken,
stil verdampend aan zichzelf.

Tussen ondergaande wereld en beschaving,
tussen gebral en gebrul van niet-meer-mensen,
die zichzelf verloren in nacht van onwetendheid,
klinkt zacht het ruisen van helende liefdesgeest
die alle wonden stil geneest,
en voor het aanschijn van de laatste nacht der tijd,
die de mantel des doods verscheurt,
straalt goudgeel de zon van liefde
die alle kinderen van het licht verlicht.

 

 

 

 

 



Afbeelding: © S. Michelspacher,
Spiegel der Kunst und Natur in Alchymia, Augsburg, 1616
Auteur: © Marcel Messing