Vrije wil of niet vrije wil:
is dat de kwestie?

 

Je hebt recht op handelen, maar nooit op de vruchten ervan.
Laat nimmer het verkrijgen van de vruchten van handeling je beweegreden zijn
 en wees evenmin gehecht aan niet-handelen.

Bhagavad  Gita II: 47



Onheus dualisme
De discussie of de mens wel of geen vrije wil heeft is waarschijnlijk net zo oud als het idee vrije wil zelf. Binnen de discussie over dit onderwerp zien we – een beetje zwart-wit gesteld – hen die wel en hen die geen vrije wil aanvaarden.
Bij hen die geen vrije wil aanvaarden zien we menig filosoof of advaita-vedantist die van mening is dat de vrije wil een illusie is, kleefkruid van een in zichzelf gevangen geest, een fictie, die door het kritische denken vanzelf wordt weggevaagd. Wie denkt dat hij vrij is om te kiezen en te handelen zou nog niet voldoende beseffen hoe geconditioneerd zijn zogenaamde ‘vrijheid’ is. Volgens de Bhagavad Gita kunnen we niet anders dan handelen. Zelfs als we ons  passief opstellen, ‘handelt’ het leven door ons heen. Hartslag, bloedstroming, ademhaling, oog knipperen, denkprocessen, slikken, slapen … Steeds is er een onvermoeibare tomeloze kracht die door ons heen werkt, dag en nacht. Tot deze kracht zich terugtrekt uit de vorm. Dat noemen we dan dood.

Wie meent dat hij een vrije wil heeft en vrij kan kiezen, vergist zich volgens de ontkenners van een vrije wil. Psychologisch en fysiologisch onderzoek zouden dit bevestigen en hebben aangetoond dat altijd een fractie van een duizendste seconde voordat we tot handelen overgaan de beslissing al gevallen is in welke richting de handeling opgaat. Natuurlijk zegt deze ontdekking niet meer dan dat de kaarten vanuit een dieper niveau, het ‘onbewuste’, worden geschud en verdeeld. Maar dit ‘onbewuste’ is in feite niets anders dan bewustzijn zelf dat zich op een cruciaal moment van zichzelf bewust wordt.
Zodra dit proces plaatsvindt, is er sprake van een pijlsnelle coördinatie van zintuigen, gedachten, gevoelens, allerlei impulsen en bewustzijnsstromen die we karmische processen zouden kunnen noemen. Ze vormen tezamen als het ware de door onwetendheid (onbewustzijn) ingesleten bedding, waardoor bewustzijn stroomt. Met een ongelooflijke snelheid wordt dit alles door de hersenen verwerkt en vertaald in handelen, waarbij de illusie kan ontstaan dat ik de doener ben.

Bij hen die wel een vrije wil aanvaarden, zien we filosofen en religieuze denkers die op allerlei wijzen de vrije wil en de mogelijkheid tot kiezen centraal stellen in het menselijk handelen.
Zij bestrijden of relativeren maar al te vaak het absolutisme van hen die iedere vorm van een vrije wil ontkennen, met het risico dat zijzelf ook een al te absoluut standpunt innemen. Volgens deze tweede groep ontstaat er in de evolutie pas een mogelijkheid tot kiezen als bewustzijn zich op reflexief niveau, in een nadenken over zichzelf, manifesteert. Daar waar bewustzijn over het eigen bewust-zijn nadenkt, kan vrije wil en de daaraan verbonden vrije keuze zichtbaar worden.

Helaas polariseren de aanhangers van beide visies maar al te vaak hun standpunten, waardoor men in de fuik zwemt van een nieuw dualisme. De speelse ruimte tussen beide opvattingen krijgt daardoor nauwelijks aandacht. Waarom niet beide visies (al dan niet gekoppeld aan eigen ervaring) eens naast elkaar zetten, om zo beide standpunten op het veld van mogelijkheden in alle rust te kunnen beschouwen. Even geen oordeel erover. Gewoon ernaar kijken. Bewustzijn zelf beschouwt het veld van mogelijkheden dat uit bewustzijn is opgebouwd. Paradoxaal genoeg veronderstelt het moment dat er gekozen wordt voor het wel of niet bestaan van een vrije wil en keuzemogelijkheid een zeker wilsbesluit… Interessant trouwens dat we kunnen spelen met het idee van wel of geen vrije wil. Wie of wat doet dit? 

Alleen al het durven kijken naar beide visies, zonder oordeel, is een boeiend gebeuren. Er zijn die twee mogelijkheden naast elkaar én er is de alerte waarnemer, die nog geen keuze heeft gemaakt. Tussen de twee mogelijkheden, de keuze daaruit en degene die kiest is echter een nauwe relatie: bewustzijn zelf.
Is het misschien zo dat als een veld van mogelijkheden er in alle rust mag zijn, er spontaan zoiets op kan komen als een vrije wil, een mogelijkheid zich te verbinden met een van de mogelijkheden van het veld dat op zijn beurt ontegenzeggelijk weer een eindeloos veld van allerlei andere mogelijkheden en perspectieven insluit?
Wat is dat spontane moment dan en hoe kan dit gerijmd worden met de ‘doener’? Is de zogenoemde ‘vrije wil’ dan niets anders dan bewustzijn zelf dat handelt, waardoor een afdruk kan ontstaan in de persoonlijkheid als vermeende doener, een ik? De discussie over wel of geen vrije wil, wel of geen mogelijkheid tot kiezen, blijkt in zijn uiterste consequentie alleen maar mogelijk door de impliciete aanvaarding van een zekere keuzemogelijkheid. Een merkwaardige paradox. Of gaat het hier nu louter om een abstractie, een truc van de mind die ervan houdt in zijn goocheldoos van afleidingen allerlei interessante mindspelletjes op te bergen?

Spreken over wel of geen vrije wil is alleen maar mogelijk bij de gratie van begrippen daarover, gebaseerd op geconditioneerde ervaringen. En natuurlijk is het begrip niet de levende werkelijkheid zelf en is de ervaring verbonden met iemand die ervaart. Opnieuw een dualisme. De filosofische tussenruimte tussen de ideeën over wel of geen vrije wil, lijkt een mogelijkheid te verbergen die maar weinig aandacht krijgt: dat er sprake kan zijn van een relatieve vrije wil en een relatieve mogelijkheid tot keuze.

Niet kiezen is ook kiezen
Wie de vrije wil ontkent, is zich er maar al te vaak niet van bewust dat hij hiermee een keuze heeft gemaakt, de keuze van het ontkennen ervan. Nu zal zo iemand misschien stellen dat de feiten ernaar verwijzen dat er geen echte vrije wil is en dus ook geen vrije keuzemogelijkheid. Maar feiten zijn ook niets meer dan interpretaties van een geconditioneerd bewustzijn. Vandaar dat de feiten ook binnen het wetenschappelijk veld veranderen naar gelang onze kennis (bewustzijn) toeneemt. Wie stelt dat we gewoonweg helemaal niet kunnen kiezen, heeft eveneens een keuze gemaakt uit het veld van kiezen en niet-kiezen. Ook het spelen met deze begrippen, het betwijfelen of bediscussiëren ervan, komt voort uit het veld van mogelijkheden waarin een keuze kan worden gemaakt. Waarom doen we dat? Waarom neigen we tot het één en wenden we ons af van het andere? Ben ik dat die dat doet? Of die keuze wel of niet vrij wordt genoemd is eveneens een keuze en veronderstelt een zekere vrije wil.
Zo’n keuze kan wel fundamentele gevolgen hebben voor het denken in het algemeen, de filosofie en voor het bewustzijn dat zich hiermee bezighoudt.

Twee niveaus
Misschien halen we in de discussie over dit belangrijke thema steeds twee niveaus door elkaar. Is het niet zo dat pas bij een doorbraak in het personalistisch bewustzijn naar een meer kosmisch bewustzijn, de zogenoemde vrije wil, de ‘eigen’ wil verdwijnt?
Zolang iemand echter denkt iemand te zijn, alles zelf te beslissen en te kiezen, vindt er handelen plaats dat gebonden is aan de vruchten ervan. Dan treedt de wet van oorzaak en gevolg, van zaaien en oogsten in werking.
De persoonlijkheid wordt gevangene van zichzelf, kan aan eigendunk gaan lijden. Maar dit proces werkt wel, al lijkt het hier om een beperkt handelen te gaan, niet voortkomend uit een absolute vrije wil. Er is hier sprake van een gebonden ‘vrije’ wil die geconditioneerd is door een webwerk van eigen handelingen. Men leeft in de illusie vrij te zijn. Hoe meer de mind zich echter door een proces van inzicht weet te bevrijden van conditioneringen, dogma’s en illusies, hoe meer bewustzijn interfereert met het totale bewustzijnsveld van mogelijkheden en spontaan handelen manifest kan worden. Hetgeen dan vrije wil en vrije keuze wordt genoemd is dan in ieder geval minder gebonden aan resultaten. Totdat ook iedere gehechtheid daaraan volledig verdwijnt. Willen en niet meer willen vervagen op het schaakbord van zwart-wit en het eindeloos veld van mogelijkheden, het tao, kan nu vol-ledig werkzaam zijn. Niet voor niets zegt Lao Tse dat de wijze mens niet handelt (niet gehecht is aan resultaten) en dat juist daarom alles gerealiseerd wordt. ‘Zijn’ handelen vindt plaats vanuit leegte, waarin alle mogelijkheden aanwezig zijn. Is de geest in rust dan komt de juiste mogelijkheid vanzelf naar boven. Maar daarbij ben ‘ik’ het niet die dit bepaalt. Hier is geen sprake meer van een ‘eigen’ vrije wil, want wat vrij is wil niet en wat nog wil is niet vrij. Bij een dergelijk handelen is er geen ego meer dat handelt, kiest of iets wil, maar de totaliteit (de Vader, oergrond, ongrond, het zijn, het veld, bewustzijn en dergelijke) die door ons heen handelt. ‘De Vader en ik zijn één’, zo drukte Jezus het poëtisch uit. Een dergelijk handelen is oorzaakloos. Er rust geen zaad in van een ego dat kan ontkiemen. Het is het handelen van een karma-yogi, die geen enkele binding meer heeft met resultaten van de handeling. Door hem heen vindt kosmisch handelen plaats en dit handelen zal altijd tot heil van het geheel zijn, omdat het geheel nu eenmaal alle inzichten en wijsheid omvat.

Spontaan handelen
Een van de grootste misvattingen van de mens is wellicht dat hij meent een zelfstandig handelend individu te zijn, dat hij het is die handelt en keuzes maakt en dat hem dus ook de resultaten, de vruchten van ‘zijn’ handelingen toekomen. Zolang men in deze illusie gevangen zit geldt dit ook. Wie resultaten voor zichzelf wil, krijgt ze. Echter, vergezeld van allerlei nevenwerkingen, al dan niet gewenst, afhankelijk van de intentie van de handeling.
Wie dieper afdaalt in zichzelf zal al spoedig merken dat er een grotere kracht is die door de ogen waarneemt, door de mond spreekt, door de oren hoort, door de tong proeft. Deze kracht is grootser dan het kleine individu, het ik. Deze kracht is volstrekte vrijheid, ongeboren, onsterfelijk en waarachtige liefde zonder binding. Deze kracht is de manifestatie van wat we werkelijk zijn.
Wie gevangen zit in de visie dat hij zelf steeds de doener is, is tevens gevangene van zijn daden. Zo’n mens zal zelfs de diepste werking van creativiteit die zich kan vertalen in de vorm van een gedicht, een compositie, een schilderij, een beeldhouwwerk, naar zich toetrekken als ‘van hem’. Ware kunst kenmerkt zich echter door een hoge mate van egoloosheid en het is door de vrije hand dat de schilder het fraaiste schilderij maakt, door het lege oor dat een allesdoordringende stilte omgezet kan worden in een virtuoze compositie of een gedicht. Als de kramp van het ik opkomt, loopt er een scheur door het kunstwerk. Het verwordt tot een product en applaus, roem of geld staan te dringen om het verder te verminken.

Dat ons handelen soms heel geconditioneerd is, blijkt wel uit onze natuurlijke reacties. Je wandelt op een bergpad en plotseling kruist een slang je pad. Wat doe je? Afvragen om welk soort slang het hier gaat? Of het een mannetjes- of vrouwtjesslang is? Of die slang giftig of niet giftig is? Ga je zijn lengte inschatten? Niets van dit alles. De primaire reactie is wegspringen, tenzij je een geconcentreerde waarneming kunt opbrengen. Dan kun je de slang vreesloos waarnemen, ontstaat er een gevoel van vrijheid, van meester zijn over de eigen gevoelens. Dit gevoel van vrijheid is tegelijkertijd een bevestiging van totale verbondenheid met alles wat is.
Iemand scheldt je uit, bedreigt je. Wat doe je? Gandhi citeren? Alle oefeningen ten spijt wordt er waarschijnlijk geconditioneerd gereageerd vanuit intens lange ervaringen die opgeslagen zijn in de cellen van het lichaam, tot in het DNA toe. Alleen als je geoefend bent in aandachtige waarneming, kan er het besef zijn dat er niets in jou is dat geraakt of beledigd kan worden. Dan is er intense vrijheid. Er is geen sprake van slaan of niet slaan, van wegspringen, weghollen of aanvallen, maar van een bewustzijn dat boven de dualiteit staat. Dat bewustzijn zal in overeenkomst met de situatie adequaat reageren, niet volgens de boekjes, maar volgens spontaan handelen. Nog een voorbeeldje: als twee mensen van elkaar houden, vraagt de hand zich dan af hoe hij moet strelen? Vragen de lippen zich af hoe ze moeten kussen? Er is strelen en kussen. Er is spontane uiting van liefde waarbij geven en ontvangen één en dezelfde energie vormen. De grenslijn tussen twee individuen vervaagt en gaat op in een groter geheel. Dit wordt niet beredeneerd of besproken. Stromende energie openbaart zich in en door zichzelf. Spontaan handelen, zonder dat er iemand is die handelt. Dit handelen komt voort uit de leegte en verdwijnt er weer in. Niemand deed iets, er werd niets gedaan en toch alles. De handeling draagt geen vrucht, want er is geen pit waaromheen vruchtvlees groeien kan.

Wie tot het inzicht komt dat hij in feite niemand en niets is, zal paradoxaal genoeg gevuld worden door het alles en alles zijn. Dan verstaan we innerlijk logion 77 van Het Evangelie van Thomas, waarin Jezus zegt: Ik ben het Al. Het Al is uit mij gekomen en het Al is tot mij geraakt. Omdat hier in volkomen niet-gehechtheid en dus in volkomen vrijheid gehandeld wordt, is het wijsheid die de dingen regelt en niet kennis of gerichte wilshandeling.

Gods wil
Eckhart zegt in zijn preek Over de ware armoede dat zolang het nog tot iemands wil behoort om … de allerliefste wil van God te vervullen, zo iemand de ware armoede [leegte van de mind] niet kent. Om werkelijk de ‘armoede van geest’ te realiseren moet men zowel vrij van een eigen willen als vrij van het idee van ‘Gods wil’ zijn, als hij was toen hij er nog niet was, dat wil zeggen: toen hij nog geen ego-identiteit had.
Natuurlijk heeft God geen wil in de zin zoals de mens dit voorstelt of daarmee omgaat. Wat werkelijk vrij is, wil niet en wat wil, is niet echt vrij. ‘Gods wil geschiede’ is niets meer dan een beeldspraak dat er een impliciete orde in de kosmos is volgens welke zich alles voltrekt, gebaseerd op schoonheid, harmonie, wijsheid. Als de mens zich hierop afstemt, leeft hij in harmonie met het Al. Het is een mee zwemmen met de golfslag van het geheel. Dit kan alleen maar plaatsvinden als men tot inzicht gekomen is dat het vermoeiend en pijnlijk is om tegen de stroom in te zwemmen. Dan vindt er spontaan overgave plaats aan het geheel, geen overgave vanuit een wilshandeling. De vruchten van de handelingen hoeven niet meer geoogst te worden. De persoonlijkheid wordt transparant, de taaie vliezen van de individualiteit scheuren en de stroom van het geheel werkt voortaan door hem heen.
Naar de vorm gezien is leven zeer kwetsbaar, maar vanuit bewustzijn is het onkwetsbaar, onvergankelijk, onsterfelijk. Zodra de individuele bewustzijnsgolf versmelt met de machtige oceaan is het uit met de schuinkoppen van het kleine ik. Tat tvam asi! Dát zijt gij!

 


Bron: © Tijdschrift Inzicht 
Auteur:  © Marcel Messing
Afbeelding: © Michelangelo Buonarroti 1475-1564