Academische hyena’s


Binnen een periode van twee maanden is Nederland geconfronteerd met twee gevallen van wetenschappelijke fraude. Het eerste geval betrof de psycholoog prof. dr. Diederik Stapel van de Universiteit van Tilburg. Hij zou, vrij zeker, onverantwoord slordig met zijn wetenschappelijke gegevens zijn omgegaan. Prof. Stapel werd begin september 2011 oneervol ontslagen en verstoten uit de academische gelederen.

Het tweede soortgelijke geval is zeer recent en betreft de hoogleraar prof. dr. Don Poldermans, gevierd expert in hart- en vaatziekten aan het Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam. Ook hij is op staande voet uit al zijn functies gezet. Opvallend in beide drama’s is dat de zogenaamde ’naaste’ collega’s de beide hoogleraren thans meedogenloos de nek omdraaien. Duidelijk is thans, zowel in Tilburg als in Rotterdam, voor iedereen te zien wat zich achter het beschaafde masker van de universitaire elite feitelijk afspeelt. Dat is weerzinwekkend. Weliswaar is het een academische doodzonde om te rommelen met wetenschappelijke gegevens. Maar dat hoeft nog niet in te houden dat de foute wetenschapper tot de grond wordt afgebrand, zijn bestaan wordt vernietigd en zijn gezin sociaal gediscrimineerd wordt. Assistenten en stafleden vrezen thans in de val van hun vroegere chefs te worden meegesleurd. Zij zullen vrijwel zeker de schuld trachten af te schuiven. ’Vrienden’ veranderen van de ene op de andere dag in hyena’s, die een gewonde soortgenoot meteen in stukken scheuren. Ik heb persoonlijk meegemaakt hoe het is als het academische milieu zich tegen je keert. Weliswaar had ik niet met wetenschappelijke gegevens gerommeld, maar ik had bekendgemaakt dat er in mijn specialisme (de anesthesiologie) te veel misging en dat er in Nederland minstens tweehonderd, overigens geheel gezonde, patiënten de operatiekamer niet meer levend verlieten. Ze stierven ten gevolge van fouten, tekortkomingen of het gebrek aan goede apparatuur en kennis van zaken bij de anesthesiologen (narcoseartsen).

Morgen, 27 november, zal het precies negenendertig jaar geleden zijn dat ik dat alles mededeelde in mijn inaugurale rede waarmede ik het hoogleraarschap in de anesthesiologie aan de Rijksuniversiteit van Utrecht aanvaardde. De titel van mijn rede stond met felrode letters gedrukt tegen een achtergrond van krantenberichten over sterfgevallen in operatiekamers: ’De dood op tafel’ . En met ’tafel’ werd de operatietafel bedoeld.

De dag erna brak de hel los. Ik had het medisch nest bevuild en collega’s in moeilijkheden gebracht. Alle kranten maar ook televisie stonden er dagenlang bol van. Mijn specialistenvereniging eiste mijn ontslag en zelfs het schrappen van mijn naam uit het specialistenregister. In het ziekenhuis probeerden collega’s mij zo veel mogelijk te ontlopen en bij belangrijke vergaderingen had ik één zijde van de tafel voor mij alleen. Niemand wilde naast mij zitten. Ik was het zwarte schaap van de geneeskunde geworden en kreeg dreig- en scheldbrieven.

Mijn dochtertje werd op school getreiterd, ook door de docenten. Een commissie van de Gezondheidsraad moest in opdracht van de minister van Volksgezondheid een rapport opstellen. Na twee jaar was dat klaar. De commissie verklaarde dat ik terecht gewaarschuwd had. Maar sinds die tijd weet ik heel precies hoe weinig echte vrienden er over blijven als de zogenaamde ’collega’s’ zich tegen je keren. Ik kreeg het leven van een intellectuele paria, die bij vergaderingen van de specialistenvereniging werd aangeduid als ’ …een persoon die daar aan de lange zijde van de tafel zit en wiens naam ik niet wens uit te spreken…’

De vraag is waar die extreme haat vandaan komt. Een vermoedelijke verklaring is als volgt: aan vrijwel alle universiteiten is ook de wetenschap ten prooi gevallen aan het moderne management. Daarbij wordt alles beschouwd vanuit een commercieel/statistisch standpunt. Managers willen altijd concurrenten de loef afsteken. Dat heet in het managementjargon: ’scoren’. Daardoor gaan ook wetenschappelijke instituten en grote ziekenhuizen steeds meer lijken op voetbalclubs zoals Ajax. Incluis intriges en patserige voorlichtingsteksten.

Toewijding

Het is moeilijk om de kwaliteit van een arts met behulp van cijfers te beoordelen. Hoe wordt bijvoorbeeld grote toewijding en aandacht voor zijn patiënten boekhoudtechnisch gewaardeerd? Daardoor is het zwaartepunt komen te liggen op wetenschappelijk werk: boeken, artikelen, dissertaties, bijdragen in de vakliteratuur, en dat vooral in buitenlandse vakbladen. Zodoende is wetenschap een productieproces geworden met een internationale ’Citation Score’ en ’Quotation Index’, dus lijsten waarop bijgehouden wordt hoeveel publicaties een wetenschapper heeft geproduceerd. Het is ook gebruikelijk geworden dat meerdere mensen werken aan één artikel. Zodoende staat tegenwoordig boven sommige publicaties een rij van vaak meer dan tien auteurs vermeld. Veel hoogleraren laten hun assistenten/ stafleden het grootste deel van het werk doen, maar zetten wel overal hun eigen naam erboven.

Zodoende is het te verklaren dat de psycholoog Diederik Stapel, die pas 44 jaar is, al 187 boeken, hoofdstukken in boeken en artikelen op zijn naam heeft staan. Het schrijven van een boek kost een normaal mens minstens een jaar, zeker als je dat naast je dagelijkse werk moet doen. Hetzelfde geldt voor de cardioloog prof. Poldermans. Die zou volgens het Erasmus Medisch Centrum meer dan 500 (!!) wetenschappelijke publicaties hebben geschreven. Dat is, naast een drukke medische praktijk, menselijkerwijs onmogelijk. In deze opgefokte organisatie waarin productiviteit belangrijker is dan kwaliteit en waar status, management en internationaal aanzien de sfeer bepalen, zijn fouten en fraudes te verwachten.

Als de wereldberoemde wetenschapper Albert Einstein (1879-1955) op aarde terug zou keren om te solliciteren in Rotterdam of Tilburg, zou hij waarschijnlijk meteen weer op straat gezet worden omdat hij te weinig publicaties had geschreven. Maar díé hij heeft gepubliceerd, hebben echter wél de wereld van onze wetenschap veranderd. Alleen dát staat niet in de Citation Index. Wellicht is het zinvol te wijzen op het verstandige advies van de apostel Paulus aan zijn gemeente Galatië (een Romeinse provincie, in wat thans Turkije heet). Er staat in de tweeduizend jaar oude brief van Paulus aan de Galaten in het Nieuwe Testament van de Bijbel:

’Broeders en zusters, wanneer u merkt dat een van u een misstap heeft begaan, moet u hem zachtmoedig weer op het rechte pad brengen. Pas op dat u ook niet zelf tot misstappen wordt verleid… (Gal.6:v1).


Prof Smalhout, 26 November 2011