Tibet en mensenrechten



Onderstaand artikel is samengesteld uit artikelen
die verschenen zijn op
www.tibet.nu 

Tien december was de dag van de mensenrechten. Ter gelegenheid hiervan vroegen Tibetanen in ballingschap over de hele wereld aandacht voor hun situatie.
In Amsterdam kwamen ongeveer 100 Tibetanen en, ondanks het koude weer, veel sympathisanten bij elkaar om met elkaar kaarsen te branden voor de situatie van de Tibetanen in Tibet, die natuurlijk niet zelf kunnen protesteren tegen de Chinese overheersing.

Twee jonge in Nederland wonende Tibetanen lazen alle 96 namen voor van de Tibetanen die in de voorbije periode door zelfverbranding hun leven hebben gegeven. Op een groot scherm werden er indrukwekkende films vertoond.

Sinds de bezetting in 1950 houdt China Tibet en haar bevolking in een ijzeren greep. De aspiraties en legitieme wensen van het Tibetaanse volk passen niet binnen de Chinese totalitaire ideologie. Zonder enige scrupules zet China al haar ter beschikking staande machtsmiddelen in tegen een machteloze bevolking en met bruut geweld vervolgt de Chinese regering dan ook alles wat met de Tibetaanse cultuur en identiteit te maken heeft.

Ondanks het hardhandig neerslaan van vreedzame protesten, massale arrestaties en martelingen blijven Tibetanen in Tibet hun leven riskeren voor meer vrijheid.

In een wanhopige poging om aandacht te vragen voor het aanhoudende onrecht en de uitzichtloze situatie waarin ze verkeren, grijpen steeds meer Tibetanen naar het afgrijselijke middel van zelfverbranding. In november 2012 alleen al hebben meer dan 25 Tibetanen hun leven op deze wijze opgeofferd. Sinds februari 2009 hebben ten minste 87 Tibetanen in Tibet zichzelf in brand gestoken, waarbij meer dan 72 zijn overleden.

Zelfverbranding

Hoeveel mensen moeten nog op deze ijzingwekkende manier om aandacht vragen voor aan hun gebeden en legitieme verlangens verhoord worden. Hoelang nog voor de internationale gemeenschap daadwerkelijk in actie komt?

Tibet, een geschiedenisoverzicht

Tibet is 2.5 miljoen vierkante kilometer groot en de gemiddelde hoogte is 4200 meter. Het hoogste punt is de De Chomo Langma (Mount Everest) met 8848 meter.

Na de militaire invasie van Tibet in 1949, tekende de Tibetaanse regering in 1951 de ‘17-Punten-overeenkomst’ met China. Hiermee gaf Tibet haar onafhankelijkheid op in ruil voor een grote mate van autonomie in de Tibetaanse Autonome Regio (TAR), een gebied ongeveer half zo groot als het gebied dat historisch werd bewoond door Tibetanen en door Tibetanen als Tibet wordt beschouwd. Toen de Dalai Lama in 1959 in ballingschap vluchtte, keurde hij de 17-Punten overeenkomst af, zodra hij voet op Indiase bodem had gezet. Volgens de Dalai Lama was de overeenkomst onder dwang ondertekend en had China de verplichtingen uit de overeenkomst geschonden.

 Vlucht van de Dalai Lama

Voorafgaand aan de ondertekening van de ‘17-Punten overeenkomst’ functioneerde Tibet als een de facto onafhankelijke staat. Tibet had een eigen (religieuze) autoriteit, munteenheid, paspoorten, taal, onderwijs en gezondheidszorg. Tibet onderhield diplomatieke- en handelsbetrekkingen met haar buurlanden India, Nepal en Mongolië. De relatie van Tibet met de verschillende Chinese dynastieën werd beschreven als een ‘priester - beschermheer’ relatie. De Dalai Lama was de geestelijke beschermer van de Chinese keizer, die op zijn beurt bescherming bood.

In het begin van de twintigste eeuw sloot Tibet een aantal internationale verdragen die de mythe van volledig Chinese gezag in Tibet en de complexe relatie tussen Tibet en China belichtten. Na een Britse militaire expeditie in Tibet in 1904, geleid door Younghusband, sloot Tibet een verdrag met de regering van Brits India waarin handelsconcessies en een verreikende voorkeursstatus aan de Britten werden toegekend.

 Britse invasie in Tibet

China reageerde snel en zette het verdrag in 1906 door middel van een Adhesie-Verdrag om in een overeenkomst tussen Groot-Brittannië en China. Onder deze nieuwe overeenkomst nam China de schadevergoedingbetalingen over die de Tibetanen onder het verdrag uit 1904 aan de Britten hadden betaald om hen te compenseren voor de invasie.

In de daaropvolgende handelsovereenkomsten die tussen de Britten, China en Tibet gesloten werden, had Tibet een ondergeschikte positie. Na de ineenstorting van de Qing-dynastie in 1911 stuurde Tibet de Chinese vertegenwoordiger in Lhasa weg en gaf in 1912 een verklaring af die neerkwam op een onafhankelijkheidsverklaring. In 1913 sloten Mongolië en Tibet een verdrag van wederzijdse erkenning van hun onafhankelijkheid.

De Britten bedachten de term ’suzereniteit’ om de relatie tussen Tibet en China in deze periode te beschrijven. De laatste Britse vertegenwoordiger in Lhasa, Sir Hugh Richardson, was de eerste om toe te geven dat deze term niet precies gedefinieerd was. Hij omschreef ‘suzereniteit’ als “nominale soevereiniteit over een semi-onafhankelijke of intern autonome staat”.

 
Tibetaanse bevolking

De ongedefinieerde status van Tibet was in werkelijkheid onderdeel van een zorgvuldig machtsevenwicht dat de Britten probeerden te handhaven tussen Rusland, China en Brits India. Hiermee hielden de Britten voldoende invloed in Tibet, zonder het volledig in te lijven. Tegelijkertijd stonden ze geen Tibetaanse onafhankelijkheid toe en ook geen volledige soevereiniteit van China over Tibet.

Het Britse belang bij het handhaven van Tibet als een bufferstaat werd het meest duidelijk in 1914 toen de Britten door middel van onderhandelingen in Simla (Noord-India), probeerden Chinese erkenning voor de Tibetaanse autonomie krijgen, zonder Tibetaanse onafhankelijkheid of volledige Chinese soevereiniteit over heel Tibet toe te staan. Tijdens de onderhandelingen claimde China soevereiniteit over Oost-Tibet (Inner Tibet), en bood het een aanzienlijke mate van autonomie aan voor het westelijk deel van Tibet (Buiten Tibet, ongeveer gelijk aan wat tegenwoordig de Tibetaanse Autonome Regio Tibet is (TAR)). Uiteindelijk werd het Simla verdrag niet ondertekend door China, maar geratificeerd door Groot-Brittannië en Tibet, waarmee de internationale grens (McMahon lijn) tussen Brits India en Tibet werd vastgesteld. Grote delen van deze grens tussen India en China blijven tot vandaag de dag omstreden.

In de daaropvolgende jaren ontwikkelde Tibet zich met Britse voogdij en bijstand tot een de facto onafhankelijke staat onder de centrale autoriteit van de dertiende Dalai Lama. Tegelijkertijd weerhielden de Britten Tibet ervan om volledige onafhankelijkheid uit te roepen. Terwijl China als strijdende partij betrokken was in de Tweede Wereldoorlog, behield Tibet haar neutraliteit. Tibetaanse pogingen om na WO II erkenning van haar onafhankelijkheid te krijgen, en om lid te worden van de Volkenbond mislukten echter.

Na de formele uitroeping van de Volksrepubliek China in 1949 trok het Chinese leger in 1950 Tibet binnen.

 Chinese invasie in Tibet 

Tibetaanse verzoeken aan de Verenigde Naties werden niet gehoord en behandeling van Tibet in de Algemene Vergadering werd geseponeerd op een voorwaarde van een vreedzame oplossing van de situatie. Pas na de vlucht van de Dalai Lama in ballingschap heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties drie resoluties over Tibet aangenomen: in 1959, 1961 en 1965 (res. 1353, 1723 en 2079). De resoluties riepen op tot respect voor de fundamentele mensenrechten en vrijheden van het Tibetaanse volk, met inbegrip van het recht op zelfbeschikking, en voor respect voor hun specifieke culturele en religieuze leven. De Verenigde Naties hebben nooit een concreet vervolg aan deze resoluties gegeven.

Met de invulling van de zetel van Taiwan door China in de Verenigde Naties, bleef de VN vervolgens stil over de Tibetaanse kwestie. Deze situatie duurde tot 1988, toen voor het eerst mensenrechtenschendingen in Tibet werden genoemd in officiële verslagen van de speciale VN-rapporteurs op het gebied van marteling, executies en religieuze onverdraagzaamheid. Pas in 1989, meer dan 20 jaar na het laatste debat over Tibet, heeft een aantal westerse regeringen officiële verklaringen afgegeven over de situatie in Tibet bij de VN-Mensenrechten Commissie. In het jaar daarop nam de VN-subcommissie Commissie voor de bescherming van minderheden, een orgaan van de VN-mensenrechten commissie, een resolutie aan tegen China, waarin respect voor de mensenrechten en de identiteit van het Tibetaanse volk gevraagd werd. Het was de eerste keer in haar geschiedenis dat de VN een resolutie heeft aangenomen tegen een permanent lid van de VN-veiligheidsraad.

Bron: http://www.tibet.nu/over%20tibet/31-geschiedenis/48-geschiedenis