Het internationale spel om de olie

 

Samenvatting van hoofdstuk 7 van The Four Horsemen: Big Oil & Their Bankers

Het boek handelt over de wereldwijde bestuurders wiens heerschappij over de wereldeconomie is gebaseerd op hegemonie over olie, wapens en drugs, gecombineerd met het eigendom over de meeste centrale banken.  

De “Four Horsemen of Banking”: Bank of America, JP Morgan Chase, Citigroup en Wells Fargo bezitten de vier belangrijkste olieconsortia: Exxon Mobil, Royal Dutch Shell, BP en Chevron Texaco; samen met Deutsche Bank, BNP, Barclays en andere Europese oud-geldgiganten. Maar hun monopolie over de wereldeconomie stopt niet met de exploitatie van alleen olievelden.

In de jaren vijftig maakten niet de productielanden de dienst uit op de oliemarkt, maar de grote Westerse oliemaatschappijen zoals Shell, British Petroleum, Chevron Texas en Exxon. 

Na de Tweede Wereldoorlog, waarin Henry Deterding als ex directeur van Royal Dutch Shell openlijk met de Duitsers had gecollaboreerd, net als de Exxon en Texaco oliemaatschappijen met IG Farben, richtten de 4 olieconsortia hun pijlen op het Midden Oosten. Hun kartel werkte daar onder diverse namen: Consortium, Iraqi Petroleum Company en ARAMCO. 

In september 1960 werd in de Iraakse hoofdstad Bagdad OPEC opgericht, door de initiatiefnemers Iran, Irak, Koeweit, Saoedi-Arabië en Venezuela. Die namen het prijsbeleid in eigen handen en weten zij het aanbod van aardolie te sturen. 

De 4 olieconsortia moeten steeds nieuwe manieren verzinnen om de collectieve kracht van OPEC te dwarsbomen. 

De CIA handelt in opdracht van de grote olieconsortia en destabiliseert her en der een nationalistische regering. De CIA steunt het leger in het land met wapens en geld, organiseert massademonstraties om vervolgens de door het land gekozen regering met een coup omver te werpen en te vervangen met stromannen die de multinationals beter gezind zijn.

Hierover is onder andere in 2004 het autobiografische boek Confessions of an Economic Hit Man van John Perkins verschenen. De Nederlandse vertaling werd verkrijgbaar onder de titel: Bekentenissen van een economische huurmoordenaar. Het was de taak van Perkins taak om politiek leiders van ontwikkelingslanden te overreden tot het aanvaarden van enorme bedragen aan ontwikkelingsgelden in de vorm van leningen via instituties als de Wereldbank, IMF en USAID. Opgezadeld met enorme schulden die de landen niet meer af konden betalen, konden deze landen vervolgens gedwongen worden hun economie open te stellen voor Amerikaanse bedrijven die grondstoffen of goedkope arbeidskrachten nodig hadden.

Indien deze plannen niet werkten werden de "jakhalzen" ingeschakeld: CIA agenten die probeerden een revolutie of staatsgreep te bewerkstelligen. Als dat ook niet lukte, werd er een aanslag gepleegd.

In september 1961 ontstond de “Beweging van Niet-Gebonden Landen” onder impuls van Egypte, Joegoslavië, Indonesië en India, om landen te verenigen die zich niet verbonden voelden met de twee grote bestaande blokken, het Westen en het Oostblok. De meeste lidstaten vielen onder de Derde Wereld.
 
Oliecrisis van 1973

Arabische leden van de OPEC kondigden in 1973 maatregelen aan tegen Westerse landen die Israël tijdens de Jom Kipoeroorlog hadden gesteund. De oorlog begon op 6 oktober (Jom Kipoer oftewel de Grote Verzoendag) van datzelfde jaar. Egypte en Syrië vielen Israël binnen. Ze werden hierbij gesteund door andere landen uit de regio, waaronder Algerije, Irak, Koeweit, Libië en Saoedi-Arabië. 

In reactie op de steun die Westerse landen aan Israël hadden gegeven verhoogde de OPEC de olieprijs met zeventig procent. Bovendien werd de olieproductie iedere maand met 5% verlaagd en daardoor ging de prijs iedere maand nog verder omhoog. Aardolie werd voor het eerst gebruikt als politiek wapen en dwangmiddel.

Idealistische Arabische leden van de OPEC kondigden ook aan hervormingen van de economische wereldorde aan.  Rijke Golfstaten zouden hun petrodollars die ze hadden verdiend met de handel met het Westen moeten investeren in ontwikkelingsprojecten in de Derde wereld. De verdeling werd onrechtvaardig en ondermijnend genoemd. Ondanks de vele initiatieven kwam van de voorgestelde Nieuwe Internationale Economische Orde niet veel terecht. De petrodollars verdwenen in de megabanken van de acht families. 

 Nederland: autoloze zondag

Direct na de oliecrisis van eind 1973 nam de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Henri Kissinger het initiatief om een soort Westerse tegenhanger van OPEC op te richten. Want een paar Arabische landen aan de Golf hadden laten zien dat ze een vuist konden maken tegen het pro Israel beleid van Westerse landen. Kissinger richt het  onschuldig klinkende Internationaal Energieagentschap (IEA) op. De Fransen noemen het IEA een “oorlogsmachine”. 

Het Internationaal Energieagentschap (IEA) van Kissinger dook op bij de vergadering van Niet-Gebonden Landen in Parijs en eiste dat de conferentie zich zou focussen op energie en niet op de internationale onrechtvaardige economische verdeling. Het IEA wordt gedomineerd door de bankiersfamilies.  Zij kwamen rentebetalingen overeen voor (slechte) leningen aan Latijns Amerika, leningen die werden gefinancierd met OPEC dollars.  

Zowel de Twin Pillars Policy van Nixon als de oprichting van de Gulf Cooperation Council van Reagan waren pogingen om de OPEC te splijten in rijke bankiernaties en arme industrielanden; de Saoedi ’s spelen de hoofdrol en bespelen beide partijen.

Na de Golfoorlog sprak de koning van Jordanië zich uit over de verwerpelijke rol van de Saoedi ‘s. “Bij de Arabieren zijn lang onderdrukte gevoelens van verbolgenheid naar de Saoedi ‘s toe tot een uitbarsting gekomen. Wij storen ons aan het feit dat zij alles kopen – technologie, bescherming, ideeën, mensen, respect… Er is geen verschil meer tussen Amerika en Saoedi-Arabië. Saoedi-Arabië steunt Israel. Ze zouden zich moeten schamen.” 

In september 1978 werden na 12 dagen van geheime onderhandelingen tussen Sadat (president Egypte), Begin (premier Israël) en Jimmy Carter (president VS) de historische ‘Camp David-akkoorden’ getekend, bestaande uit twee deelovereenkomsten. Bechtel executive Philip Habib had er hard aan getrokken. 



Het eerste deel ging over de toekomst van de Sinaï en een binnen drie maanden te sluiten vrede tussen Egypte en Israël. De overeenkomst bevatte duidelijke details over de terugtrekking van Israël uit de Sinaï, de betrekkingen tussen beide landen, militaire voorzieningen en ook hoe het toezicht zou worden geregeld. In hetzelfde jaar volgde het vredesverdrag tussen Israël en Egypte. De Palestijnse leiders accepteren het akkoord niet.

Sadat betaalde er de ergste prijs voor: hij werd door islamitische fundamentalisten, die het niet eens waren met het verdrag, vermoord. Andere Arabische landen verbraken hun betrekkingen met Egypte. 

Het tweede deel van de Camp David-akkoorden ging over de Palestijnse autonomie in Gaza en de Westoever. Beide landen gaven een andere interpretatie van de gemaakte afspraken en hielden zich er niet aan. 

De akkoorden, samen de oprichting van Reagans GCC (een samenwerkingsraad van de Arabische Golfstaten en een handelsblok in de Perzische golf: Saoedi Arabië, Kuwait, UAE, Bahrein, Qatar & Oman) in 1981, zorgden ervoor dat Kissingers doel werd bereikt.   

Het Internationale Monetaire Fonds (IMF) werd opgericht. Het IMF is de politiemacht en legitimatie voor de uitbreiding van eigendommen van de acht families in de hele wereld. Het IMF dwingt ontwikkelingslanden leningen af te sluiten tegen 15 tot 20% rente, van banken die in de handen zijn van de acht families. Hun economieën worden overspoeld met multinationale corporaties, die in de handen zijn van diezelfde acht families. 

De petrodollars zorgen er uiteindelijk voor dat de arme landen in een bodemloze put van schulden terechtkomen. Kunnen ze hun rentelasten niet betalen, dan volgen de inbeslagnames van hun activa. De onderhandelingen ten tijde van de Mexicaanse "schuldencrisis" in 1995 werden geleid door Citigroup en resulteerden erin dat ASARCO de controle van de staatsbedrijven (cement en spoorwegen) in handen kreeg door Burlington Northern (nu BNSF). 

Het merendeel van de leningen worden besteed aan de voorbereiding voor multinationale operaties (belastingvrij natuurlijk) of eindigen in de zakken van de elite van deze landen. Het geld wordt via Westerse BCCI achtige banken veiliggesteld. Zo worden de mensen uit de arme landen verantwoordelijk voor het terugbetalen van leningen waarvan zij het geld zelfs nooit gezien hebben. Voormalige Venezolaanse President Carlos Andres Perez noemde dit het  “IMF rookgordijn” en "economisch totalitarisme". 

In 2001 kon de Argentijnse regering een lening van 12 miljard dollars niet terugbetalen aan de bankiers en het IMF stelde een duivels plan met draconische voorwaarden voor. De minister van Financiën Domingo Cavallo noemde het IMF daarom de “internationale vampiers”.  

Nog een truc van de oliegiganten was om meer aardolie uit de niet OPEC-landen te halen. Voor de aardolie bestemd voor Amerika haalt Exxon Mobil in 1990 29% uit Angola, 16% uit Oman en 16% uit Columbia. Royal Dutch Shell haalde 19% uit Mexico en 17% uit Yemen. Chevron Texaco deed hetzelfde voor 26% uit Mexico.  

In 1984 zorgden olievondsten in de Noordzee er ook voor dat OPEC’s macht minder werd.

Indonesië

Met de hulp van de CIA werd in 1964 president Soeharto in Indonesië geïnstalleerd. De VS wilden onder president Johnson Indonesië als grondstoffenleverancier en bondgenoot in Zuidoost-Azië behouden. Zo raakte de CIA direct betrokken bij de staatsgreep van Soeharto. De Verenigde Staten hadden namelijk grote economische belangen in Indonesië. 

Door opening van de CIA-archieven is er meer bekend geworden over de omstreden rol van de Amerikanen bij het aan de macht komen van Soeharto. 
Demonstranten bij de Mobil raffinaderijen werden zonder scrupules vermoord. 
Naar schatting 500.000 tot 1.000.000 Indonesiërs hebben bij afrekeningen het leven verloren. Vooral op Bali en Centraal- en Oost-Java vielen zeer veel slachtoffers. Deze massaslachting is lange tijd verzwegen in en buiten Indonesië.

De Nederlandse koloniale regering was even bruut in het neerslaan van rebellie.

Het is goed om in het achterhoofd te houden dat steun van de CIA aan militairen een standaardprocedure was om een nationalistische burgerregering omver te werpen. Deze truc werd ook succesvol toegepast in Chili en Iran. In de jaren 80 was het de eerste fase van wat later bekend zou worden als de Iran-contra-affaire.

De oliemaatschappij van de staat Indonesië Pertamina stond onder controle van Soeharto’s rechterhand generaal Ibnu Sutowo. Een aantal Amerikaanse banken zorgden ervoor dat Sutowo steeds meer geld ontving. Hij kocht paleizen, vliegtuigen, een hotelketen en een witte Rolls-Royce. De Indonesische Centrale Bank wist van niets, terwijl de schulden opliepen. 

In 1974 vloog Sutowo naar Zweden om de supertanker Ibnu in te wijden. Hij golfde met golflegende ’s Arnold Palmer, Gary Player en Sam Snead. Het staatsbedrijf Pertamina zou  uiteindelijk een schuld van meer dan 6 miljard dollars hebben. Indonesië heeft tot de dag van vandaag last van deze schulden. 

Een groep die zich de “Triade” noemt, de heren Lazard Freres, Kuhn Loeb en Warburg zijn adviseur van de regering voor financiële kwesties. Deze mensen adviseren ook de regeringen van Congo, Gabon, Sri Lanka, Panama en Turkije. 

Venezuela

In Venezuela werd Exxon Creole Petroleum opgericht door de CIA. Exxon ís de CIA in Venezuela. Toen Hugo Chavez in 1999 tot president werd gekozen was de frustratie groot. Chavez is openlijk kritisch op de vier oliegiganten. In 2007 eiste Chavez van de grote oliegiganten dat zij het Venezolaans volk een groter percentage van de winst zouden geven. Exxon Mobil en Conoco Philips weigerden en moesten het land verlaten. 



Chavez wil dat Venezuela zelf over zijn natuurlijke hulpbronnen moet kunnen beschikken. In het verleden is een groot deel van de Venezolaanse olieproductie in handen gekomen van particuliere buitenlandse multinationals. Formeel is dit in strijd met de grondwet van Venezuela. Toen president Hugo Chavez aan de macht kwam, stelde hij zich tot doel om dit terug te draaien.

Nigeria

In Nigeria zijn het de Koninklijke Shell en Chevron Texaco die de olie-industrie domineren. In de laatste jaren zijn er rondom het epicentrum van de Niger Delta waar de olie wordt gewonnen meer dan 10.000 mensen gedood. Shell heeft de Nigeriaanse politie en het militaire leger honderden miljoenen dollars betaald om veilig te kunnen boren naar olie. Het financiert dus Nigeriaanse “veiligheid” troepen, die veelvuldig zijn beschuldigd zijn van mensenrechtenschendingen. 

Op 10 november 1995 werden Ken Saro-Wiwa (succesvol zakenman, romanschrijver en televisieproducer) en 8 andere mensenrechtenactivisten door de militaire junta generaal Soni Abacha opgehangen. Als president van de “Movement for the Survival of the Ogoni People (MOSOP) voerde Saro-Wiwa een geweldloze campagne tegen de schade aan het milieu door de activiteiten van Shell.

Het regime van Abacha had Shell het groene licht gegeven om te boren op inheems land van de Ogoni, de Niger Delta. Een half miljoen mensen van de Ogoni stam protesteerde, zonder succes. De hele Niger delta is inmiddels zeer ernstig vervuild, door storingen van apparatuur, slecht onderhoud en sabotage.

Nog geen maand na de ophanging van de mensenrechtenactivisten deelde Shell mee in Nigeria te zullen starten met een aardgasproject in samenwerking met de Nigeriaanse junta, de Franse Total en het Italiaanse Agip. Het volk was woedend. Op 4 maart 1997 namen demonstranten 127 werknemers van Shell gevangen, staken tankstations van Shell in brand en namen olieplatforms in. Shell werd gedwongen de productie in Nigeria te minderen en kreeg internationaal een bezoedeld imago.



De familie van Saro-Wiwa heeft een rechtszaak tegen Shell aangespannen waarin zij Shell medeplichtig stelde aan de dood van Saro-Wiwa. De rechter stelde de nabestaanden in het gelijk. Shell betaalde ruim 11 miljoen euro schadevergoeding. Een derde van het bedrag ging naar de Ogoni. Shell heeft verantwoordelijkheid genomen voor de olievervuilingen in Nigeria. Voor de kosten van de opruiming zullen ze ruim 100 miljoen dollar aan vergoeding betalen. 

In Nigeria blijft de opstand tegen de grote oliemaatschappijen doorgaan. 

Multinationals en PR

Naomi Klein schrijft in haar voorwoord van het boek Schone schijn van Eveline Lubbers, dat het niet de inhoud van de kritiek is die multinationals mateloos irriteert, maar het feit dat ze überhaupt bekritiseerd worden. 

Hun doel is nooit de discussie te winnen, maar te overheersen, te intimideren en tenslotte de tegenstander te elimineren.

Multinationals wringen zich in allerlei bochten om een bezoedeld imago op te poetsen. Het arsenaal varieert van geavanceerde PR-strategieën tot complete spionage-operaties. Geregeld blijken bedrijven meer te investeren in greenwashing dan werkelijk iets te doen aan maatschappelijk verantwoord ondernemen.

 

Dean henderson 2011 
Bronnen: 
http://deanhenderson.wordpress.com/2011/11/16/the-eight-families-rigged-oil-game/ 
http://www.evel.nl/pandora/revonzewereld.htm

Vertaald door ‘t Vertalerscollectief