Op zoek naar Atlantis


Volgens de Britse auteur Graham Hancock verwijzen de piramiden en de sfinx in Egypte naar een verdwenen superbeschaving. Hancock werpt een ander licht op heersende visie van de stapsgewijze vooruitgang van de mens door de geschiedenis: We denken dat wij het summum van beschaving zijn en kunnen ons eenvoudigweg niet voorstellen dat er voor ons een superieure beschaving heeft bestaan.’

Eigenlijk hadden we moeten afspreken aan de voet van de Sfinx op het plateau van Gizeh in Egypte. Want op die plek begon de zoektocht van Graham Hancock die tot een aantal opzienbarende boeken over verdwenen beschavingen leidde. Maar we ontmoeten elkaar niet in de brandende zon van de woestijn, maar op een regenachtige ochtend in Londen op de trappen van het British Museum. Een waardige tweede keus. Hier ligt een van de grootste collecties Egyptische kunstschatten – overblijfselen van misschien wel de meest mysterieuze beschaving uit onze geschiedenisboeken. De beschaving die – volgens Hancock – verwijst naar het bestaan van een ‘prehistorische’ superbeschaving. De queeste van deze Britse onderzoeksjournalist moet voeren naar niets minder dan naar het bewijs voor de mythe van Atlantis, het paradijselijke eiland in de Atlantische Oceaan waarover Plato schreef.

Het begon met de vraag die vrijwel elke bezoeker van de piramiden stelt: hoe is het mogelijk dat mensen deze gigantische bouwwerken duizenden jaren geleden zonder moderne hulpmiddelen hebben kunnen maken? Let wel: de hedendaagse mens is nog steeds niet in staat tot een vergelijkbare prestatie. Er zijn – om te beginnen – maar twee hijskranen op de wereld die in staat zijn rotsblokken van enkele tonnen te verplaatsen. Voor één zo’n blok is dan wel zes weken voorbereidingstijd nodig en twintig man personeel. De piramiden zijn uit zulke blokken – ruim twee miljoen stuks – opgetrokken. Met welke kracht? En dan de precisie. De grote piramide is een vrijwel volmaakt vierkant. De afwijking in de lengte is nog geen centimeter. De zijden van de piramiden lopen ook exact langs de Noord-Zuid as en de Oost-West as. Ook hier is de afwijking minuscuul: 0,015 procent. Toen de Britten onlangs probeerde om hun Meridian Building – een veel kleiner gebouw – precies op de nulmeridiaan van Greenwich te zetten, was de afwijking aanzienlijk groter. Daarbij komt dat de hoeken in menig modern kantoorpand niet zo keurig recht zijn als in de piramiden. Welke bouwmeesters presteerden dat? Met welke middelen?

Hancock: ‘We zijn zo gewend om evolutionair en lineair te denken, dat we ervan uitgaan dat wij het toppunt van de beschaving zijn. Vóór ons wordt het steeds primitiever. Als dat zo is, leg me dan maar eens uit hoe mensen een paar duizend jaar voor Christus – toen wij met primitief gereedschap grottekeningen maakten en onze vrouwen aan hun haren een hol in sleepten – in staat waren gigantische monumenten te bouwen met loodzware rotsblokken die naadloos op elkaar aansluiten. We hebben het over 2,3 miljoen rotsblokken, met stenen die in gewicht variëren tussen de anderhalf en 15 of 17 ton tegen een “onmogelijke” helling van 52 graden. Zo’n prestatie komt niet uit het niets, zoals de gangbare theorie ons voorhoud.’

Immers volgens de officiële geschiedenis komen de eerste beschavingen zo’n drieduizend jaar geleden in Mesopotamië en Egypte tot bloei. Volgens de archeologische wetenschap zouden de piramiden dateren uit ongeveer 2500 jaar voor Christus, terwijl de Sfinx waarschijnlijk iets ouder is. Dat betekent dat de Egyptenaren maar een paar honderd jaar zouden hebben gehad om de kennis en het vakmanschap te ontwikkelen die zij nodig hadden om hun meesterwerken te bouwen. Hancock: ‘Het is niet logisch dat het grootste gebouw dat ooit door de mensheid is gebouwd, ook zo ongeveer het eerste is. Het ligt veel meer voor de hand dat de piramiden het summum van een beschaving weerspiegelen.’

Voor Hancock staat vast dat de gangbare verklaringen voor de antieke Egyptische wonderen tekort schieten en hij vindt – steeds meer – aanwijzingen voor andere verklaringen. Volgens de heersende visie markeren de piramiden graven van farao’s met de Sfinx als een symbolische wachter. Hancock: ‘Er zijn veel graven van farao’s gevonden maar nooit onder de piramiden. Die bewering is inmiddels hoogst onwaarschijnlijk: waar zijn die graven? Bovendien klopt de datering van de Sfinx niet. Dat monument vertoont onmiskenbare sporen van erosie door zware regenval. Maar regelmatige regen die erosie tot gevolg heeft, is er sinds de laatste IJstijd niet meer geweest in Egypte.’ In die IJstijd – tussen 17.000 en 7.000 jaar voor Christus – was wat nu de Sahara is, een groene vlakte. In zijn boek The Message of the Sphinx verwijst Hancock naar onderzoek door de Amerikaanse geoloog Robert Schoch die op basis van de tekenen van erosie schat dat de Sfinx zeker vijfduizend jaar ouder is dan thans algemeen wordt gedacht.

Dit wetenschappelijke debat over een paar duizend jaar is relevanter dan het lijkt. Als de Grote Sfinx inderdaad duizenden jaren eerder werd gebouwd, dan was dat mogelijk in een tijd vóórdat de geroemde beschaving van Atlantis verloren ging. Dus vóórdat – zoals de mythe wil – Atlantis aan het einde van de laatste IJstijd door een enorme vloedgolf werd verzwolgen. En dat zou betekenen dat de Egyptenaren de bijzondere kennis die aan de bouw van de piramiden ten grondslag ligt, van deze verloren beschaving hebben kunnen ontvangen. Waren de ‘goden’ waarvan Egyptische overleveringen melding maken en die hen de kennis van bouwkunst, astronomie en de natuurwetten zouden hebben aangereikt uit Atlantis afkomstig?

De positionering van de piramiden en de Sfinx lijkt ook een boodschap te bevatten. Samen met zijn Belgische collega Robert Bauval onderzocht Hancock het plateau van Gizeh nauwgezet. Ze bekeken alles wat ze mochten zien en zelfs – soms met behulp van enige ‘financiële overredingskracht’ – wat ze niet mochten zien. De grote doorbraak in hun onderzoek kwam toen Bauval het plateau vanuit de lucht bekeek. Hij kon zich niet voorstellen dat de wijze waarop de piramiden waren neergezet toevallig was. Vanuit de lucht meende Bauval dat de configuratie van piramiden leek op het sterrenbeeld van Orion. Nader onderzoek leerde vervolgens dat de positionering van de piramiden een uiterst exacte weergave van de drie sterren van Orion is. Niet toevallig Orion zou je zeggen, de Egyptenaren associeerden hun oppergod Osiris met dat sterrenbeeld.
Maar het mysterie gaat verder. De configuratie op het plateau van Gizeh weerspiegelt niet Orion zoals dat 2.500 jaar voor Christus – het moment dat de piramiden volgens de officiële lezing werden gebouwd – aan de hemel stond. Hemellichamen schuiven ten opzichte van elkaar over perioden van duizenden jaren en daarmee verandert ook de positie van de Aarde ten opzichte van bijvoorbeeld Orion. Wat blijkt? De weergave van de piramiden verwijst naar de constellatie van Orion van 10.450 jaar voor Christus. Hancock: ‘Gizeh zou dus een stukje hemelkaart zijn dat verwijst naar 10.450 voor Christus.

Wat wilden de Egyptenaren – of de beschaving vóór hen – daarmee duidelijk maken? Waarnaar verwijzen deze monumenten?’ Deze ontdekking werd nog spannender toen Hancock vervolgens in Tiahuanaco, de hooggelegen stad in het Boliviaanse Andes gebergte, ook constellaties terugvond die verwijzen naar het elfde millennium voor Christus. Kennelijk bouwden niet alleen de Egyptenaren volgens astronomische principes. Blijft de vraag wat er zo bijzonder was aan 10.450 voor Christus? Mogelijk wijst de Sfinx in de richting van een antwoord. Hancock: ‘Als de Sfinx inderdaad ouder is dan we denken en teruggaat naar dezelfde periode, dan hebben we het over het astrologische tijdperk van de leeuw, dat 10.500 jaar vóór Christus begint. Verwijst de naar het oosten gerichte Sfinx – een leeuw tenslotte – naar dit tijdperk? Wanneer je het astrologisch bekijkt, staat de zon op dat moment precies onder het teken van de leeuw. Willen de oude Egyptenaren ons hiermee zeggen dat we onder de Sfinx moeten kijken? Daar blijkt inderdaad een grote ondergrondse ruimte te zijn.’

Je kunt het je nauwelijks voorstellen, maar er zijn nog steeds delen van de piramiden en de Sfinx die niet zijn onderzocht – deels omdat men bang is dat de monumenten instorten. Hancock: ‘Er zijn verborgen kamers waar nog niemand is geweest.’ Zo onderzocht de Duitse ingenieur Rudolf Gantenbrink in 1992 een aantal smalle kokers die door de Grote Piramide lopen. Gantenbrink gebruikte een klein robotje met een camera om de smalle gangen te onderzoeken. Na een reis van ongeveer 65 meter door de zuidelijke koker stuitte de robot op een deur met twee metalen handvaten. Hancock straalt: ‘Dat was een sensatie! Wat mij betreft de meest opzienbarende archeologische ontdekking van de afgelopen eeuw. Er is namelijk alle reden te vermoeden dat achter die deur een kamer ligt.’ In september 2002 deed de National Geographic Association in samenwerking met de Egyptian Supreme Council for Antiquities een poging achter de deur te kijken. Een robot boorde een gaatje en voor het oog van vele miljoenen televisiekijkers, stuitte men op… nog een deur. Hancock: ‘Soms denk ik dat de piramiden en de Sfinx als een soort tijdcode zijn gebouwd: wanneer een toekomstige beschaving er aan toe is, kan weer een stukje van de code worden ontcijferd. Zo wordt de legpuzzel langzaam in elkaar gezet.’

Zeker lijkt intussen dat vrijwel niets in de constructie van deze beroemde bouwwerken willekeurig tot stand is gekomen. Ook bijvoorbeeld het patroon van de kokers van Gantenbrink lijkt een boodschap te bevatten. Dat patroon lijkt precies op de antieke Egyptische tekeningen van de reis naar het dodenrijk – de plek waar de ziel heengaat op zijn reis na de dood. De Egyptenaren hadden dit ‘dodenrijk’ – dat zij Duhat noemden – in kaart gebracht, zodat de overleden ziel voorbereid aan zijn reis zou beginnen. Hancock: ‘Het dodenrijk was voor hen even levend als de wereld van de levenden. Voor hen was het een vanzelfsprekende werkelijkheid. Waar wij in deze tijd onze knapste koppen inzetten om technologische problemen op te lossen – meestal zonder veel betekenis – zetten zij hun beste mensen in om het mysterie van leven te ontrafelen. Zij waren geïnteresseerd in waartoe wij op aarde zijn en wat er na de dood gebeurt. De denkwijze van de Egyptenaren was op het eeuwige gericht. We vinden dan ook geen ruïnes van huizen of paleizen, maar tempels en graven – monumenten met betrekking tot het leven na de dood. Godsdienst, dat lieten zij na.’

De boeiende zoektocht van Hancock en zijn medestanders betekent een uitdaging voor de gevestigde wetenschap. Hancock kiest voor onorthodoxe invalshoeken – zoals het mogelijke verband tussen astronomie, architectuur en astrologie – die ver buiten de gangbare paden liggen en hij staat open voor de mogelijkheid dat mythen ook verwijzen naar werkelijkheid. Hancock: ‘Hoe is het mogelijk dat verhalen zo lang, zo hardnekkig, zo krachtig verteld blijven worden, als ze niet ergens een fundament in de werkelijkheid hebben?’ De documentaire Atlantis Reborn die het BBC-televisieprogramma Horizons in 1999 uitzond over zijn werk leidde uiteindelijk zelfs tot een procedure voor de Britse Broadcasting Standards Commission, omdat Hancock de omroep van onevenwichtige beeldvorming betichtte. De commissie stelde hem gedeeltelijk in het gelijk: voor het eerst in 35 jaar werd het BBC-programma schuldig bevonden aan een onevenwichtige presentatie.

In Hancock’s visie vragen de niet opgehelderde geheimen van de Egyptische piramiden om een open geest en om een instinctieve benadering – de elementen die in het verleden steeds weer garant hebben gestaan voor wetenschappelijke doorbraken: ‘Het probleem is dat de meeste wetenschappers zich eenvoudigweg niet kunnen voorstellen, dat er vóór ons een beschaving is geweest die mogelijk even ver of zelfs verder was dan wij. De wetenschap is totaal anders geprogrammeerd. En die programmering staat thans doorbraken in de weg.’

Graham Hancock zoekt intussen gedreven verder. Daags na onze ontmoeting in Londen vertrekt hij naar de de Amazone op zoek naar nieuwe ‘vingerafdrukken van de Goden’. Uiteindelijk gaat het hem om meer dan een zoektocht naar een verdwenen beschaving. Hij ziet in de huidige wereld een richtingenstrijd tussen de materialistische visie en een opkomende visie in steeds bredere kringen dat het leven over meer gaat dan geld en materie. Hancock: ‘Er zijn veel aanwijzingen dat onze verre voorouders in staat waren om een hoog ontwikkelde technologische samenleving te combineren met een eveneens hoog ontwikkelde geestelijke wijsheid.

Misschien dat het herontdekken van hun erfgoed ons de weg kan wijzen naar een evenwichtige balans tussen de spirituele en de materiële dimensies van het leven.’ Hij is even stil en lijkt diep in zijn gedachten te verzinken. Dan strijdlustig: ‘We zijn onze eigen voorouders vergeten! We weten niet waar we vandaan komen. Geen wonder dat we in verwarring zijn en stuurloos leven. We moeten te weten komen wie we zijn!’

Meer informatie: zie de site van Graham Hancock, hij is auteur van onder meer The Sign and The Seal; Fingerprints of the Gods; Keeper Of Genesis (The Message of the Sphinx in de Verenigde Staten) met co-auteur Robert Bauval; Heavens Mirror en Underworld: Flooded Kingdoms of the Ice Age. Hancock maakte ook een driedelige televisieserie: Quest For the Lost Civilisation.




Auteur: © Tijn Touber

Met dank aan Ode.
 





©2007 www.wijwordenwakker.org