Uitgangspunten bij orgaandonatie
Een fundamentele vraag: wie is de mens?


Wie zijn gedachten wil bepalen over orgaandonatie en -transplantatie zou zich allereerst dienen af te vragen hoe hij de mens beschouwt. Is de mens in principe slechts een verzameling botten, spieren, weefsels, bloed, water? Of ligt hierin iets anders ten grondslag? Anders gezegd: bestaat de mens slechts uit zijn fysieke, materiële lichaam of is er meer?

Lichaam en geest
De SBO huldigt het uitgangspunt dat de mens een geestelijk wezen is dat zich in een lichaam heeft gehuld (lic-hamo = hemd van vlees). In en door dit lichaam doet het geestelijk wezen zijn ervaringen op; zonder lichaam is dit op aarde immers onmogelijk. Tussen de geest en het lichaam bestaan een nauwe verbondenheid en wisselwerking. De organen als wezenlijke delen van het lichaam zijn als het ware doordrenkt met de ervaringen die de geest tijdens het leven opdoet. Deze belevingen hebben hun neerslag in het lichaam, zoals ook de toestand van het lichaam een bron is voor weer nieuwe ervaringen. Het geestelijk wezen van de mens ontwikkelt zich al doende steeds verder.

De geest zouden we zeer versimpeld kunnen omschrijven als de innerlijke stuwkracht die in elk mens aanwezig is; de kracht die elk lichaam vorm geeft; de kracht die alle letterlijke en figuurlijke bewegingen mogelijk maakt; die kracht die elk leven überhaupt mogelijk maakt.

De geest na de lichamelijke dood
Het overgrote deel van de mensheid is ervan overtuigd dat de geest op de een of ander manier voort bestaat na de dood van het lichaam. Dit besef is gebaseerd op diepe religieuze ervaringen en vaak ook op filosofische inzichten. De steeds toenemende aandacht voor buitenlichamelijke en bijna-doodervaringen bevestigen dit besef en maken het concreet. Wetenschappelijk onderzoek houdt zich in toenemende mate bezig met deze verschijnselen. 

De ontvanger in beeld
Leven met een ziek orgaan kan een waar drama zijn. De wens om het leven te verbeteren is dan ook volkomen begrijpelijk. De ervaringen wijzen ondertussen uit dat de verwachtingen wat dat betreft niet te hoog gespannen mogen zijn. Is een potentiële ontvanger van een nieuw orgaan voldoende op de hoogte van datgene wat hem/haar te wachten zou kunnen staan? Een probleemloos leven na een transplantatie komt, voor zover thans bekend, niet voor. Problemen doen zich vrijwel altijd voor en hebben te maken met o.a. afstotingsverschijnselen, verhoogde vatbaarheid voor infecties, een verhoogde kans op tumorvorming, kans op persoonlijkheidsveranderingen.

Afstoting van het getransplanteerde orgaan
Nadat een orgaan uit het lichaam van de donor is gehaald en getransplanteerd in dat van de ontvanger, treden er steevast afstotingsverschijnselen op. Soms al onmiddellijk, soms pas na verloop van tijd. Het afweersysteem komt dan in werking omdat dit herkent dat er iets wezensvreemds in het lichaam aanwezig is en het wil deze “vreemde indringer” eruit werken. Om deze afweerreactie te voorkomen moet de ontvanger meestal zijn leven lang zware medicijnen gebruiken die het afweersysteem uitschakelen.

Het gevolg van het uitschakelen van het afweersysteem van de ontvanger is dat deze erg vatbaar gaat worden voor allerlei ziekten want ook hier zal het afweersysteem niet meer op kunnen reageren. Heel wat ontvangers komen later in het ziekenhuis terecht vanwege een simpele griep, andere infectieziekten of zelfs tumorontwikkeling.

Enige boeiende vragen - die verband houden met ons uitgangspunt van lichaam en geest - laten zich nu stellen. Wat veroorzaakt dit afstotingsproces? Is dit iets puur lichamelijks? Is hier de invloed van de geest in te herkennen? Wat heeft dit proces ons te vertellen?

Ben “Ik” nog mezelf?
Verscheidene ontvangers hebben ontwikkelingen doorgemaakt die te omschrijven zijn als persoonlijkheidsveranderingen. In sommige wetenschappelijke geschriften wordt dit ontkend. Betrokken ontvangers voelen echter in verschillende mate dat zij veranderd zijn. Ook de omgeving ervaart dit. Betrokkene is bepaalde karaktereigenschappen kwijtgeraakt en/of heeft er andere voor in de plaats gekregen. Men gaat zich afvragen of men nog wel zichzelf is. Bekend is dat sommige ontvangers - met name na een hartlongtransplantatie - duidelijk bepaalde karaktertrekken/persoonlijkheidskenmerken van de donor hebben meegekregen. Ook is bekend dat de medicijnen die de afstoting moeten tegengaan veranderingen in een mens teweeg brengen.

Hier rijzen wederom vragen. Krijgt een ontvanger slechts het fysieke orgaan van de donor of ook “iets” van diens persoonlijkheid? Bestaat er nog een band tussen het getransplanteerde orgaan en de geest van de overledene? Treedt er dan een vermenging van persoonlijkheden op? Welke consequentie heeft dit voor de ontvanger? Wat betekent het als iemand zegt “Ik”? Wie of wat was dit “Ik” voor de transplantatie en wie of wat is het erna? Heeft de ontvanger zich op de een of andere manier in de geest verbonden met de donor? Wilde hij/zij dat wel? Wat betekent dit voor het verdere verloop van zijn/haar leven?

Verder kunnen we ons afvragen wat de diepere gevolgen zijn voor het latere overlijden van de ontvanger, want overlijden doen we allemaal eens. Hoe zou mijn stervensproces als ontvanger verlopen: heeft dit een “natuurlijk” verloop?

Aan deze vragen kunnen er nog talloze worden toegevoegd. O.a.: Wat wil ik met mijn leven? Wat is gezondheid? Wat is ziekte? Hoe verhouden zich die tot elkaar bij mij? Waarom krijg ík die ziekte? Wat betekent de dood voor mij? Aanvaard ik alle zichtbare en onzichtbare risico’s van een transplantatie? 




Bron: Stichting Bezinning Orgaandonatie (SBO)


 





©2007 www.wijwordenwakker.org