Chemotherapie, bepaald geen wondermiddel


Medisch Dossier, maart 2012
Nieuw onderzoek levert aanwijzingen dat chemotherapie alleen kankercellen doodt die op het punt van afsterven staan.

Chemotherapie is wellicht niet het ultieme redmiddel bij kanker waarvoor het wordt aangezien. Uit het nieuwste onderzoek komen aanwijzingen naar voren dat alleen die kankercellen worden gedood die toch al gaan sterven.
In een onderzoek dat in afwachting van publicatie in het tijdschrift Science alvast op internet staat, stelt het onderzoeksteam uit Boston (Massachusetts) dat kankercellen die bijna het stadium van natuurlijke celdood (apoptose) hebben bereikt sterker reageren op bepaalde chemotherapeutische stoffen dan cellen die nog niet in dat stadium zijn.
Dat duidt erop dat chemotherapie onwerkzaam zou zijn bij kankercellen die nog niet uit zichzelf aan het sterven zijn. Op zijn best zou dat natuurlijke celdoodproces enigszins worden bespoedigd. Elke gezonde cel in ons lichaam is daarvoor geprogrammeerd, maar bij kankerpatiënten is dat proces ontregeld geraakt.

Met behulp van een bepaalde techniek (BH3-profilering) had het Dana-Farber-team al eerder ontdekt dat het mogelijk is om te meten hoe dicht cellen tegen de apoptosedrempel aanzitten. De techniek maakt gebruik van kleine stukjes eiwit met de naam BH3-peptide uit een groep proteïnen (eiwitten) die aanzetten tot natuurlijke celdood. Door deze stukjes BH3-proteïne toe te voegen aan celmonsters en vervolgens te meten hoe veel nodig was om de cel te doden, waren ze in staat te bepalen hoe dicht de cellen tegen het stadium van apoptose aan zaten. De cellen die daarvoor het minste BH3 nodig hadden, waren dus kennelijk de eerste die uit zichzelf zouden sterven.

In dit onderzoek gebruikte het team de BH3-profileringstechniek eerst bij myeloomcellen van patiënten die chemotherapie zouden ondergaan. Myeloom is een type kanker dat cellen in het beenmerg − zogeheten plasmacellen − aantast. De resultaten lieten een sterke overeenkomst zien tussen de kankercellen die als eerste spontaan zouden sterven en die welke op de chemotherapie reageerden.
De onderzoekers gebruikten vervolgens de profileringstechniek om een scala van tumoren bij 85 patiënten te bestuderen, waaronder multipel myeloom (ziekte van Kahler), acute myeloïde leukemie, acute lymfatische leukemie en ovariumkanker. In alle gevallen troffen zij dezelfde samenhang aan: chemotherapie had een grotere kans te werken tegen tumorcellen die als eerste zouden afsterven1.



De gangbare visie op z’n kop
Deze nieuwe bevindingen zijn een provocatie aan het adres van het conventionele denken over de werking van chemotherapie. De traditionele opvatting is dat chemotherapie snelgroeiende cellen als kankercellen aanvalt, maar het nieuwe bewijs duidt erop dat dit gebeurt bij kankercellen die al op het punt staan af te sterven en dat het niet werkt tegen kankercellen in een ander stadium.
Volgens de onderzoekers wijst deze ontdekking er ook op dat het mogelijk zal gaan worden te voorspellen bij welke kankerpatiënten de chemotherapie zal aanslaan. Daarnaast zouden chemotherapiemiddelen meer effect kunnen krijgen door de cellen eerst dichter bij hun apoptose te brengen.

Aan de andere kant rijzen er ook belangrijke vragen over de huidige status van chemotherapie, zoals: zouden kankercellen die reageren op chemotherapie ook uit zichzelf zijn verdwenen? En vanuit het standpunt van de patiënt geredeneerd: als chemotherapie alleen een natuurlijk proces versnelt, is het dan al dat lijden en de aftakeling die ermee gepaard gaan wel waard?

Het natuurlijke verloop van kanker
Dit zijn vragen die we nog niet kunnen beantwoorden, maar ze zijn het overwegen waard in het licht van het groeiende aantal onderzoeken die erop duiden dat kanker soms gewoon verdwijnt, of – zoals oncologen dat noemen – ‘spontaan in regressie gaat’2.
In een onderzoek aan Stanford University van 83 patiënten met non-Hodgkin-lymfoom die hiervoor niet waren behandeld, bleken 19 van hen (23 procent) inderdaad een spontane regressie van hun kanker te hebben3.

Meer recent volgden wetenschappers aan het Noorse instituut voor volksgezondheid in Oslo twee groepen vrouwen met eenzelfde gezondheidsprofiel en achtergrond, die symptomen van borstkanker hadden. Één groep was tussen 1996 en 2001 gescreend met elke twee jaar een mammografie, terwijl de andere groep alleen aan het eind van de onderzoeksperiode was gescreend.
Als factoren die de resultaten konden vertekenen buiten beschouwing werden gelaten – zoals ductaal carcinoma in situ (DCIS), dat weliswaar tot de kankers wordt gerekend, maar dat eigenlijk niet is – was het percentage borstkanker bij de regelmatig gescreende vrouwen aan het eind van het onderzoek 22 procent hoger dan in de niet-gescreende groep.
‘Het lijkt erop dat sommige borstkankers die in de loop van de herhaalde screeningen werden ontdekt, na zes jaar niet zichtbaar waren bij de eenmalige screening aan het slot’, zo concludeerden de onderzoekers, omdat de incidentie onder de niet-gescreende vrouwen zo sterk afweek van de gescreende groep. Dat doet het vermoeden rijzen dat het natuurlijke verloop van sommige – in de tussentijd wel gesignaleerde – invasieve tumoren spontaan in regressie is gegaan4.

Weer een ander onderzoek wees erop dat neuroblastoom – de kanker bij kinderen die de bijnieren aantast – ook spontaan kan verdwijnen. In Japan volgden artsen van het Saitama-kinderziekenhuis in Iwatsuki het beleid ‘waakzaam afwachten’ bij elf zuigelingen van een half jaar oud met ofwel een neuroblastoom fase I of II (een vroeg stadium) ofwel een tumor die kleiner was dan 5 cm doorsnee.
Na zes maanden van deze ‘passieve observatie’ waren alle tumoren geslonken, al was aan het eind van de onderzoeksperiode geen daarvan volledig verdwenen. Op basis van deze bevindingen concludeerden de onderzoekers dat ‘regressie van bij screening zichtbare neuroblastomen geen zeldzaam verschijnsel is’5.

Dit zijn slechts enkele voorbeelden van kankerregressie die door de jaren heen zijn opgetekend in de medische literatuur. Niemand weet waardoor dit gebeurt, maar het fenomeen lijkt samen te hangen met infecties met koorts, veroorzaakt door virussen, bacteriën of schimmels6.
Hoewel deze voorvallen suggereren dat het lichaam tot op zekere hoogte in staat is om zelf kanker te bestrijden weten we absoluut niet hoe vaak dit gebeurt, omdat tegenwoordig weinig kankergevallen onbehandeld blijven. In het algemeen neemt men aan dat spontane regressie in één op de 60.000 kankergevallen voorkomt, maar sommige wetenschappers geloven dat het werkelijke cijfer wel eens 20 tot 100 keer hoger zou kunnen liggen7,8.



Terug naar de basis
Met de laatste ontdekkingen over chemotherapie in het achterhoofd, is het dan niet aannemelijk dat deze populaire therapie te veel eer toekomt als het gaat om het bestrijden van kanker?
De vaststelling dat chemotherapie kankercellen aanvalt die al bijna het celdoodstadium hebben bereikt, laat de mogelijkheid open dat de kanker uit zichzelf zou zijn verdwenen, zonder hulp van chemotherapie. Anders gesteld: zouden de kankercellen niet ook gestorven zijn zonder dat de chemo ze een laatste zetje in die richting had gegeven?
Dit zijn ingewikkelde vragen die nog ontrafeld moeten worden. Duidelijk is wel uit dit en uit ander onderzoek (zie kader) dat chemotherapie waarschijnlijk bij een significant aantal patiënten niet effectief is. En deze bewijzen zouden wel kunnen leiden tot een meer persoonsgerichte benadering van kanker, waarbij menige patiënt het scala van zware bijwerkingen bespaard kan blijven.

Door Joanna Evans
Lees verder onder de noten....

1Science, 2011; 27 oktober 2011; online voorpublicatie
2Medisch Dossier juni 2009; Dossier koorts en kanker
3N Eng J Med, 1984; 311; 1471-1475
4Arch Intern Med, 2008; 168: 2311-2316
5J Clin Oncol, 1998; 16: 1265-1269
6Indian J Cancer, 2011; 48: 246-251
7O’Regan B, Hirshberg C. Spontaneous Remission: An Annotated Bibliography
8Petaluma, CA: Institute of Noetic Sciences, 1993

Weinig voordeel, groot risico
De laatste gegevens aan de hand van BH3-profilering wijzen op een verklaring waarom chemotherapie in een groot aantal gevallen van kanker niet werkt. Toen kankerspecialist dr. Ulrich Abel een meta-analyse uitvoerde van de percentages waarin chemotherapie werkte bij kanker in een vergevorderd stadium, kwam hij tot de conclusie dat er – behalve bij longkanker en mogelijk eierstokkanker − geen direct bewijs is dat chemotherapie het leven verlengt1.

Later deden Australische wetenschappers onderzoek naar de werkzaamheid van chemotherapie bij behandeling van volwassenen met de meest voorkomende soorten kanker. Zij concludeerden dat chemotherapie in slechts iets meer dan 2 procent van alle gevallen de levensduur van kankerpatiënten verlengde. Bij slechts dertien van de 22 soorten tumoren die zij analyseerden, was een verbetering in de vijfjaarsoverleving aanwijsbaar en bij slechts drie daarvan was die hoger dan 10 procent.
‘Ondanks de aanvankelijke aanname dat chemotherapie een soort panacee is voor de bestrijding van alle soorten kanker, is de werkzaamheid van deze giftige therapie in feite beperkt tot kleine subgroepen patiënten en vindt deze meestal plaats bij de minder vaak voorkomende tumoren’, zo luidde de conclusie2.

Dit bewijs is in tegenspraak met de verwachting van veel patiënten die denken dat ze een therapie ondergaan die hun kans op genezing en overleving aanzienlijk verhoogt. Zouden ze de getallen en feiten beter kennen, dan zouden ze wellicht een heel andere afweging maken vanwege de aantasting van hun kwaliteit van leven.

Afgezien van vermoeidheid, pijn, misselijkheid en haaruitval, kan chemotherapie vanwege de giftigheid voor de hersenen ook verwardheid, geheugenverlies en spraakstoornissen geven, aldus de laatste onderzoeksgegevens3,4.

1Biomed Pharmacother, 1992; 46: 439-452
2Clin Oncol [R Coll Radiol], 2004; 16: 549-560
3JAMA, 2008; 299: 2494
4Acta Oncol, 18 Augustus 2011; online voorpublicatie

Met dank aan http://www.medischdossier.org/home/

 





©2007 www.wijwordenwakker.org