Hoe ik van mijn geloof viel


Religie staat werkelijke verbinding met God in de weg. Ze verbindt mensen met elkaar, waardoor groepen ontstaan. Ode’s redacteur Tijn Touber verbrak recentelijk zijn jarenlange verbondenheid aan de spirituele gemeenschap waarvan hij lid was – een Indiaas meditatiecentrum met strakke disciplines – en ging op zoek naar een nieuw soort geloof.

Twee jaar geleden viel ik van mijn geloof. Nadat ik veertien jaar vrijwel onafgebroken met God en spirituele groei bezig was, was het ineens klaar. Ik had als een moderne monnik geleefd, weliswaar zonder klooster en middenin het leven, maar binnen een spirituele gemeenschap met duidelijke voorschriften, zoals celibatair leven, vegetarisch eten, geen drugs, alcohol of andere genotsmiddelen en iedere dag om vier uur op voor meditatie,en spirituele studie en jaarlijks terugkerende pelgrimstochten.

Waarom was het ineens klaar?
Ik kwam tot de conclusie dat ik ten prooi was gevallen aan een van de dodelijkste ziekten van deze tijd: georganiseerde religie. In toenemende mate was er een routineuze vanzelfsprekendheid in mijn denken geslopen. Steeds minder waren mijn eigen ervaringen de leidraad en steeds meer bepaalden de concepten, regels en dogma’s van de geloofsgemeenschap mijn doen en laten. De boeddhisten hebben een mooi woord voor dat wat ik was kwijtgeraakt: beginner’s mind, de blik van een beginneling.

In die veertien jaar heb ik eindeloos veel les gegeven. Ik leerde nieuwkomers in de gemeenschap wat ik eerst zelf had geleerd. Op alle vragen had ik een antwoord: wie God is, waar wij vandaan komen, waarheen wij gaan, wat de zin van het leven is, waarom de wereld er zo beroerd aan toe is. Mensen kwamen naar mij toe voor advies en zonder aarzeling wees ik ze de weg naar God. Herstel, naar míjn God. Totdat de twijfel toesloeg. Niet zozeer aan God of aan mijn verworven wijsheden; ik twijfelde vooral aan het nut van mijn lessen en adviezen. Veel te vaak zag ik dat mensen deze blindelings opvolgden om vervolgens verstrikt te raken in door mensen bedachte geloofssystemen.

Ook binnen de niet-traditionele religies en stromingen, zoals in de new age, zie je geregeld dat gestructureerde godsbeleving tot verstarring en verstikking van individuen kan leiden. Mensen geven huis en haard op voor goeroes, keren vrienden en familie de rug toe, kleden zich exotisch en kopiëren uitheemse gebruiken in de hoop dichter bij God te komen. Het gezond verstand wordt uitgezet ten koste van een nieuw geadopteerd moreel denkkader. Het voelen wordt vervangen door een checklist met de regels van de club. Natuurlijk valt niet iedereen ten prooi aan blinde volgzaamheid. Velen gaan op hun ervaringen af en blijven kritisch, maar de groepsgeest is sterk en het vergt integriteit en moed om weerstand te bieden aan heersende dogma’s. En inzicht bovendien, want vaak zie je de morele aannames van de groepscultuur niet. Je ziet niet dat de ‘werkelijkheid’ een product is van je belevingswereld, die op haar beurt voortkomt uit de geloofssystemen die je aanhangt.

De bijbel vertelt ons dat de mens ‘nietig’ is en ‘geneigd tot alle kwaad’. Maar is dat ook zo? We leren dat Allah ons in de hemel zal belonen als we ons nu voor hem opofferen. Maar is dat ook zo? Wie heeft zoveel inzicht en overzicht, dat hij in staat is zijn eigen morele context te relativeren? Is een vis zich bewust van het water waarin hij zwemt? Een aantal jaren geleden sprak ik de anglicaanse priester Lloyd Casson, op dat moment predikant in Trinity Church, de prestigieuze kerk in Wall Street, New York. De man was hard op weg naar de top van zijn kerk toen hij werd teruggefloten. Hij had het gewaagd tijdens een dienst kritische woorden te uiten ten aanzien van de Amerikaanse oorlogsagressie. Hij werd – even voordat ik hem sprak – weggepromoveerd naar een kerk in Wilmington, Massachusetts. Geschrokken, maar niet gebroken, zat Casson voor me.

Nooit zal ik zijn woorden vergeten, toen ik hem vroeg waarom religieuze en spirituele leiders vaak zo bekrompen en angstig denken en hun volgelingen schadelijke leefregels voorschrijven. Ik noemde de biecht en boetedoening, harde disciplines, het opgelegde celibaat, het verbod op voorbehoedsmiddelen, afstompende rituelen. De priester was even stil, wellicht overwegend of hij het zou zeggen of niet. Toen rechtte hij de rug: ‘De meeste religieuze leiders hebben nauwelijks tijd om zich met God te verbinden. Zij bedrijven geen religie, maar politiek. Het zijn topambtenaren die hun handen vol hebben aan het draaiend houden van het instituut. Hun voornaamste zorg is zieltjes winnen.’

Hij kon het zeggen, hij had niets meer te verliezen. Het woord ‘religie’ stamt af van het Latijnse woord religare, dat ‘opnieuw verbinden met God’ betekent, en religare zou weer afstammen van het Sanskriete yogum, dat ‘eenwording’ of ‘eenheid’ betekent. Is het dan niet wrang dat juist de top van de religieuze en spirituele wereld blijkbaar geen tijd heeft om zich met God te verbinden? De geschiedenis van georganiseerd geloof wemelt van de pogingen om zieltjes te winnen en wetten voor te schrijven. Met succes: slechts veertien procent van de wereldbevolking is officieel niet-religieus. De rest valt onder het christendom (33 procent), de islam (22 procent), het hindoeïsme (15 procent), het boeddhisme (6 procent) en kleinere takken (10 procent), waaronder ook nieuwere religies en new-age-stromingen.

Het begin van het einde van mijn zelfverkozen monnikschap kwam met het uitspreken van vier simpele woorden: ‘Ik weet het niet’. Het was tijdens een les, waarin ik de ene na de andere vraag op mij kreeg afgevuurd. Persoonlijke problemen, theologische geschillen, spirituele ervaringen – of ik er even helderheid in wilde scheppen. Nee dus. Niet meer. En waarom? Omdat ik het ook niet wist. Dat zei ik dus: ‘Ik weet het niet.’ De opluchting was groot – niet alleen bij mij overigens, gek genoeg ook bij de leerlingen. Logisch ook. Ineens zaten we tegenover elkaar als gelijken, als zoekers op een pad die elkaar bijstaan. Ik kon minstens zoveel van hen leren. Ik kon weer openstaan en ontvangen. Ik realiseerde me op dat moment hoe zinloos en hoogmoedig het is om elkaar met religieuze en spirituele teksten om de oren te slaan. Voortaan zou ik alleen mijn eigen ervaring nog laten spreken en niet een uit het hoofd geleerde ‘waarheid’.

Ik besloot te stoppen met lesgeven en in de afgelopen twee jaar die daarop volgden, heb ik dat ook nooit meer gedaan. Grappend zeg ik wel eens: ‘Tegenwoordig zet ik alleen nog maar thee’. Regelmatig komen groepen mensen bij mij thuis om hun – al dan niet spirituele of religieuze – ervaringen te delen en samen te mediteren of te bidden. Alle mogelijke onderwerpen passeren de revue en ieder van ons blijkt een eigen manier te hebben om God te ervaren en met het leven om te gaan. Hoe zou het zijn als religieuze en spirituele leiders elkaar op deze manier zouden ontmoeten? Hoe bevrijdend zou het zijn als ze even uit de dogma’s van de geleerde overtuiging konden stappen en eerbiedig het hoofd konden buigen voor hun wederzijdse religieuze inspanningen? Hoe zou het zijn als de fundamentalisten van deze wereld – de mensen die het zeker weten – zouden toegeven dat ze het eigenlijk ook niet weten? Wat weten wij tenslotte werkelijk van God of van een mogelijk hiernamaals? Wat snappen wij nu van de schepping? Hoe meer je ervan begrijpt, hoe groter het wonder wordt en hoe meer je inziet dat je er eigenlijk niet veel van snapt.

Is het ook niet arrogant te pretenderen dat je God zou kennen en weet wat hij of zij wil? Zeg je dan niet impliciet dat je gelijk aan God bent (wat misschien wel waar is, maar dat is een ander verhaal)? Jouw God vervolgens aan een ander opdringen, is zo mogelijk nog arroganter en het duidelijkste bewijs dat jíj op dat moment in ieder geval niet gelijk aan God bent. Wanneer je jouw waarheid aan een ander opdringt, keur je de ervaring van je medemens af. Je zegt: ‘Jouw ervaring is niet goed’. Door je medemens af te keuren, wijs je in feite de schepping – Gods creatie, toch? – af. Je matigt je een oordeel aan, gebaseerd op onbewijsbare stellingen, jouw morele aannames, en wordt blind voor de waarheid, namelijk dat er verschillende mensen met verschillende ervaringen zijn. Je leeft in ontkenning en scheidt je af van het grote geheel, waardoor je je automatisch ook van God afscheidt.

Religie was dus bedoeld om ons weer met God te verbinden. Natuurlijk gebeurt dat ook; er zijn prachtige mensen die vanuit hun geloof de mooiste dingen doen. Vanuit een rotsvaste hindoeïstische geloofsovertuiging wist Gandhi de Britse bezetters vrijwel geweldloos het land uit te drijven. De christelijke kerk speelde in Zuid-Afrika een grote rol om apartheid af te schaffen en ook het zaqat-belastingsysteem van de islam – 2,5 procent van het inkomen wordt aan liefdadigheid gegeven – laat zien hoe groots religies kunnen zijn. Los van de inspirerende levens van Jezus, Boeddha en Mohammed hebben in een recenter verleden Moeder Teresa, Desmond Tutu en Martin Luther King laten zien dat religie tot wonderen kan leiden.

Maar georganiseerde religieuze bewegingen verbinden mensen niet per definitie met God. Ze verbinden mensen vooral met elkaar, waardoor groepen ontstaan die vanuit dezelfde ‘waarheid’ leven. Wanneer zo’n groep de waarheid van een andere groep niet meer respecteert, komen die twee tegenover elkaar te staan. Het uiteindelijke resultaat is niet verbinding, maar afscheiding en verdeeldheid. Als een religie tot verdeeldheid leidt, is het dan nog wel een religie? Hoe kun je beweren met God verbonden te zijn als je je van je medemens afkeert? Hoe diep ben je als ‘religieus’ of ‘spiritueel’ mens gezonken als je gelooft dat je uit naam van God andersdenkenden mag afkeuren, bekeren of zelfs aanvallen? Wat blijft er nog van God over als we uit zijn of haar naam dergelijke misdaden begaan? In plaats van inspiratie te ontlenen aan een goede God, die al wat mooi en waar is vertegenwoordigt, wordt God dan naar beneden gehaald en aartslelijk gemaakt. God wordt gecorrumpeerd, voor ons karretje gespannen en als hoogste autoriteit opgevoerd om onze zaakjes te beslechten.

Kinderen doen dat ook als ze bang zijn. Dan dreigen ze met hun vader: ‘Als je niet ophoudt, roep ik mijn vader erbij en die is heel sterk.’ Religieuzen roepen: ‘Mijn vader is God.’ En hoe banger ze worden, hoe harder ze roepen. Waarom zijn we zo bang? Waarschijnlijk omdat we het niet zeker weten. Als ik onzeker ben, doe ik meestal meer mijn best mijn gelijk te halen. Alsof ik ook mijzelf wil overtuigen. Ik denk: hoe meer mensen het met mij eens zijn, hoe meer het ‘waar’ wordt. Als ik daarentegen iets echt zeker weet en diep van binnen ervaar, heb ik geen behoefte een ander te overtuigen.

Toen ik kon toegeven dat ik het ook niet precies wist, kwam er spontaan ruimte voor authentieke ervaringen. Die ervaringen zijn – oh paradox! – vaak zo intens, dat ik er meer zekerheid en vertrouwen aan ontleen, dan aan de schijnzekerheid van uit het hoofd geleerde waarheden van anderen. Intellectuele concepten over hoe iets moet zíjn, staan in de weg als het gaat over het ervaren van wat ís. Beginner’s mind, dus. Deze beginner’s mind is precies wat alle religieuze stichters hadden. Zij lieten zich niet leiden door de heersende dogma’s van hun tijd, maar stonden open voor een nieuwe waarheid. Ze gebruikten hun eigen verstand en hun eigen gevoel. Zij waren geen volgelingen, pennenlikkers of regelgevers, maar inspirerende individuen die wezen naar de grootsheid van God en de schepping. Na hun heengaan werd de mensheid overgeleverd aan de interpretaties van volgelingen, waarna steeds meer regels, dogma’s, geboden, mores, codes, missies, credo’s en wetten ontstonden.

Het is een bekend gegeven dat christenen vaak christelijker zijn dan Christus, net zoals als marxisten marxistischer zijn dan Marx. Uit het vervangen van eigen ervaring door regels en dogma’s werd de morele mens geboren: de mens die steeds minder vanuit zichzelf leeft en steeds meer vanuit een morele code. Met het verstrijken van de tijd werden complexe en genuanceerde zaken teruggebracht tot ‘feiten’ en systemen en gevangen in hapklare en makkelijk te onthouden oneliners. De werkelijke waarde van een geloofsovertuiging wordt echter niet gekend door de morele standpunten of religieuze teksten en geschriften. De waarde van iedere levensfilosofie – of die nu islamitisch, kapitalistisch, wetenschappelijk, agnostisch of anarchistisch is –, wordt gekend door het geluk en welzijn van degenen die haar aanhangen.

Wil je weten of de bijbel werkt, kijk dan – generaliserend – naar de christenen van deze wereld: hoe gaan zij met elkaar om, met de aarde, met hun kinderen, hun geld, met andersdenkenden? Hoe gezond zijn ze, hoe blij kijken ze uit hun ogen, hoe hartelijk zijn ze? Als blijkt dat een geloofsovertuiging tot ellende leidt, wordt het tijd die te herzien. In het geval van religies is dat een heidens karwei, omdat je – vrij letterlijk – tegen heilige huisjes aanschopt. Het gaat hier niet alleen over onbewuste en diep ingesleten denkpatronen, maar ook over datgene wat wij ‘heilig’ zijn gaan noemen. Concepten over God, de schepping en het hiernamaals op de helling zetten, voelt alsof je het kleed onder de beschaving vandaan trekt.

Religieuze overtuigingen staan aan de basis van ons denken, maar vormen ook de basis van onze pijn. De val uit het paradijs, de scheiding van God, de scheiding van de godin, het verlies van de onschuld, de erfzonde, de schuldenlast, de angst voor zondige handelingen en een alomtegenwoordige, toornige en wraakzuchtige God kleuren de belevingswereld van veel mensen in meer of mindere mate. Om nog maar te zwijgen over concepten die aanzetten tot een willoze overgave aan een hogere autoriteit, het verlies van soevereiniteit en eigenwaarde, het moeten kiezen tussen mens en God en het degraderen van gevoelens, emoties en verlangens. En – last but not least – het nietig verklaren van de mens door hiërarchische structuren in te voeren, met God in de top van de piramide.

De crisis waarin veel religies zich bevinden, zou wel eens gunstig kunnen uitpakken. De afkeer tegen fundamentalistisch denken neemt exponentieel toe nu religies zich van hun slechtste kant laten zien. Wellicht konden groeperingen het zich enkele jaren geleden nog permitteren elkaar in de haren te vliegen om hun gelijk te halen. Maar die tijd is voorbij. Je hoeft geen geitenwollen sokken meer te dragen om in te zien dat de mensheid zich niet zulk kinderachtig gedrag kan veroorloven. Massavernietigingswapens hebben dat onmogelijk gemaakt. We staan met onze rug tegen de muur – een muur die we zelf hebben opgebouwd om ons te beschermen tegen de onzekerheid van het aardse bestaan.

Hoe breek je dit soort muren af?
De eerste stap is te bedenken, dat de muur een illusie is. De muur bestaat louter in je eigen geest en bestaat uit ideeën, concepten en overtuigingen waarin je bent gaan geloven. Het goede nieuws is, dat je altijd weer kunt terugkeren naar wie je was, voordat je de muur bent gaan bouwen – een kwestie van stil worden, diep ademhalen, glimlachen en afstemmen op dat prachtige wezen van binnen. De ontroering die je dan kan voelen, is zo groot dat geen muur daartegen is bestand.

Tijdens lessen op de drugsafdeling van de Amsterdamse gevangenis, heb ik dit meermalen gezien. Jongens die zichzelf hadden opgegeven, omdat ze geloofden een junk en mislukking te zijn, bloeiden op en gingen leven. Hun concepten bleken leugens te zijn. Achter deze geloofsovertuigingen was altijd het ‘mooie mannetje’ – zoals zij het noemden – nog steeds intact. Naast het herstellen van het contact met je eigen diepste kern, is het ook belangrijk de (religieuze) concepten die je leven bepalen te herzien.

Werken ze vóór of tegen je?
Je kunt nog steeds inspiratie ontlenen aan religieuze teksten en oeroude verhalen, zolang je je er maar van bewust bent dat het verhalen zijn. Niet meer en niet minder. Ik weet vaak al niet meer wat ik gisteren heb gedaan, laat staan dat ik zou weten wat een ander tweeduizend jaar geleden deed. Ook de behoefte om de waarheid te doorgronden, komt wellicht voort uit een concept, namelijk dat ‘weten’ zou leiden tot wijsheid. Misschien is het wel beter om niet alles te weten of te begrijpen. Misschien is het helemaal niet de bedoeling van het leven om het te doorgronden. Misschien gaat het er alleen maar om het leven te (be)leven. Misschien heeft het leven geen diepere betekenis, maar gaat het om de betekenis die jij er op ieder moment aan geeft.

Het kan bevrijdend werken het mysterie intact te houden, in plaats van het te willen ontrafelen, verklaren en op te schrijven en het als de zoveelste ‘waarheid’ te verkondigen. ‘Ik weet het niet’ zeggen, stil worden en openstaan om naar mijn God te luisteren, geeft mij op dit moment in ieder geval meer inzicht dan een rationele analyse of een logische verklaring.

Natuurlijk is het doodeng om geadopteerde zekerheden los te laten. Ik heb maanden lang in vertwijfeling rondgelopen. Wie was ik nog, nu ik mij had afgekeerd van de identiteit die ik veertien jaar had geleefd? De leegte was enorm, alsof het paradijs verloren was gegaan. Niet alleen straks, maar ook nu, hier. Niets was nog zeker, niets lag meer vast. Ik was op aarde geland en stond er ineens alleen voor. Er was geen enkele autoriteit meer tot wie ik mij kon richten. En juist toen, in het diepst van die angst, brak een glimlach door. Het was dan misschien eng en eenzaam, maar ook echt. Nu er niemand meer was om op blind te varen, werd mijn eigen kompas weer zichtbaar, waardoor ik steeds meer vanuit mijn innerlijke wijsheid kon gaan leven.

Op het moment dat ik mijzelf terugvond, kwam ook God weer in mijn leven. Niet de God van het christendom, de islam of van wie of wat dan ook, maar míjn God. Ik hoef deze God niet meer te bewijzen, uit te leggen of aan te prijzen. Ik hoef God alleen maar te ervaren, waardoor mijn toch al prachtige leven nog mooier en rijker wordt. Het is heerlijk om in een mooie, ware God te geloven. Het geeft hoop en inspiratie en kan het leven een diepere betekenis geven. Ik heb gemerkt dat geloof en gezond verstand heel goed samen kunnen gaan. Het zijn geen tegenstellingen, maar verschillende realiteiten die naast elkaar kunnen bestaan. Ik kan en hoef God niet te verklaren om in hem (haar?, het?) te geloven.

Een deel van mij heeft grote behoefte aan religie, spiritualiteit, mystiek, rituelen en onvoorwaardelijke overgave aan een hogere macht. Een ander deel is kritisch en toetst mystieke ervaringen aan de praktische realiteit. Geloof is prachtig, als het maar niet blind wordt. Toen ik mijn blinde geloof losliet, kwam er weer ruimte voor religieuze, mystieke, of spirituele ervaringen. Het hoofd vol feitjes en weetjes zat niet meer in de weg, waardoor het hart kon spreken. Van mijn geloof vallen was het beste wat mij had kunnen overkomen, omdat ik weer kan geloven.




Auteur: © Tijn Touber

Met dank aan Ode
 





©2007 www.wijwordenwakker.org