Somalië: de ware redenen voor de hongersnood




De afgelopen twintig jaar is Somalië verwikkeld in een ‘burgeroorlog’ te midden van de destructie van zowel de landelijke en stedelijke economie.

In het land heerst nu een grootschalige hongersnood.  Volgens rapporten zijn tienduizenden mensen in de afgelopen maanden van ondervoeding omgekomen. De levens van een paar miljoen mensen wordt bedreigd.

De heersende media schrijven de hongersnood wat nonchalant toe aan grote droogte zonder de bredere oorzaak te bestuderen.

Een sfeer van ‘wetteloosheid, strijdende bendes en anarchie’ wordt ook genoemd als een van de belangrijkste oorzaken achter de hongersnood.

Maar zit er achter die wetteloosheid en de gewapende bendes? 

De bredere vraag is: Welke macht van buitenaf heeft de destructie van de staat Somalië begin jaren 90 aangezwengeld?

Ondanks de herhaalde periodes van grote droogte was Somalië tot eind jaren 70 zelfvoorzienend voor voedsel. Vanaf begin jaren 80 werd de nationale economie gedestabiliseerd en de voedsellandbouw vernietigd.

Aan de burgeroorlog in 1991 ging het proces van economische ontwrichting. Economische en sociale chaos voortvloeiend uit het ‘economische medicijn’ van het IMF bereidde de weg voor de lancering van een door de VS gesponsorde ‘burgeroorlog’.

Een heel land met een rijke geschiedenis van handel en economische ontwikkeling werd veranderd in een territorium.

De bittere ironie van dit alles is dat dit open territorium grote olierijkdommen bezit. Vier Amerikaanse oliegiganten hadden zich al gepositioneerd vóór het begin van de Somalische burgeroorlog in 1991:


Het structurele aanpassingsprogramma (SAP) van het IMF-Wereldbank werd aan Sub-Sahariaans Afrika opgedwongen. De herhaalde hongersnoden van de jaren 80 en 90 zijn grotendeels het gevolg van het ‘economisch medicijn’ van IMF-Wereldbank.

In Somalië legde tien jaar IMF economisch geneesmiddel de fundering voor de overgang van het land naar ontwrichting en sociale chaos.

Eind jaren 80 stortten na herhaalde ‘bezuinigingsmaatregelen’ opgelegd door Washington, de lonen bij de overheid in tot drie dollar per maand.

Het volgende artikel, voor het eerst gepubliceerd in 1993 in Le Monde diplomatique en Third World Resurgence concentreert zich op de historische oorzaken van de hongersnood in Somalië.

Onderstaand artikel werd vervolgens als hoofdstuk toegevoegd aan mijn boek The Globalization of Poverty and the New World Order,  eerste editie 1997, tweede editie, Global research. Montreal, 2003.  


Somalië: de ware redenen voor de hongersnood

De IMF interventie begin jaren 80

Somalië was een herderseconomie gebaseerd op ‘ruil’ tussen nomadische veehouders en kleine landbouwers. Nomadische herders vormden 50 procent van de bevolking. In de jaren 70 leidden hervestigingsprogramma’s tot de ontwikkeling van een flinke sector commerciële veehouderij. Vee vormde 80 procent van de inkomsten uit export tot 1983. Ondanks de herhaalde periodes van grote droogte kon Somalië zich vrijwel volledig zelf van voedsel voorzien tot de jaren 70.

De interventie van de IMF-Wereldbank begin jaren 80 verergerde de crisis in de Somalische landbouw. De economische hervormingen ondermijnden de fragiele relatie van ruilhandel tussen de ‘nomadische economie’ en de ‘sedentaire economie’ – dat wil zeggen tussen herders en kleine boeren, gekenmerkt door geldtransacties en traditionele ruilhandel. De overheid werd een zeer streng bezuinigingsprogramma opgelegd, voornamelijk om gelden vrij te maken om de rente van de schuld van Somalië aan de Paris Club te betalen. Een groot deel van de externe schuld was aan de financiële instanties in Washington. Volgens een ILO missierapport:

Alleen het Fonds onder Somalië’s belangrijkste schuldeisers van rentebetalingen weigert te herschikken. (...) Het helpt in feite een aanpassingsprogramma te financieren, waarvan een van de doelen is het IMF zelf terug te betalen.

Naar vernietiging van voedsellandbouw

Het structurele aanpassingsprogramma versterkte Somalië’s afhankelijkheid van geïmporteerd graan. Van midden jaren 70 tot midden jaren 80 vervijftienvoudigde de voedselhulp, met 31 procent per jaar. Samen met toegenomen handelsimport leidde deze invoer van goedkoop overschotten tarwe en rijst verkocht op de nationale markt tot de ontheemding van de lokale producenten, en een grote verschuiving in de voedingspatronen ten koste van de traditionele gewassen (mais en sorghum). Na de door het IMF in juni 1981 opgelegde devaluatie van de Somalische shilling volgden periodieke devaluaties, die leidden tot stijging van de prijzen van brandstof, kunstmest en boerderijgrondstoffen. De impact op voedsellandbouw was onmiddellijk, met name in regenteelt, en in de gebieden met geïrrigeerde landbouw. De stedelijke koopkracht na sterk af, er werd gesnoeid in de aanvullingsprogramma’s van de overheid, de infrastructuur stortte in, de deregulering van de graanmarkt en de invoer van ‘voedselhulp’ leidde tot de verschraling van de agrarische gemeenschappen.

Gedurende deze periode eigenden bureaucraten, legerofficieren en handelaars met connecties in de regering zich veel van de beste landbouwgrond toe. In plaats van de voedselproductie voor de nationale markt te bevorderen, moedigden de donors de ontwikkeling aan van zogeheten ‘hoogwaardig’ fruit, groenten, oliezaden en katoen voor export op de best geïrrigeerde landbouwgronden.

Instorten van de veeteelteconomie

Vanaf begin jaren 80 stegen de prijzen voor geïmporteerde geneesmiddelen voor vee, als gevolg van de ontwaarding van de valuta. De Wereldbank moedigde vordering aan van betaling voor dierenartsdiensten door de nomadische herders, inclusief de vaccinatie van dieren. Een particuliere markt voor diergeneeskundige geneesmiddelen werd bevorderd. De functies van het ministerie van Vee werden geleidelijk opgeheven en de Veterinaire Laboratorium Afdeling van het ministerie werd volledig gefinancierd op basis van kostenverhaal. Volgens de Wereldbank:
dierenartsdiensten zijn essentieel voor de ontwikkeling van vee in alle gebieden en ze kunnen voornamelijk door de privé-sector worden geleverd. [...] Daar weinig particuliere dierenartsen kiezen voor een praktijk in afgelegen gebieden, zal de zorg voor het vee ook neerkomen op ‘para-dierenartsen’ betaald uit de verkoop van geneesmiddelen.

De privatisering van diergezondheid ging gepaard met de afwezigheid van nood dierenvoeding tijdens droogteperiodes, de commercialisering van water en het verwaarlozen van het behoud van water en weidegronden. De resultaten waren voorspelbaar: de kuddes werden uitgedund en ook de herders, die 50 procent van de bevolking van het land vormden. Het ‘verborgen doel’ van dit programma was de eliminatie van de nomadische herdersvolken betrokken bij de traditionele ruileconomie. Volgens de Wereldbank zijn ‘aanpassingen’ van de omvang van de kuddes in elk geval goed omdat nomadische herdersvolken in Sub-Sahariaans Afrika worden gezien als de oorzaak van de aantasting van het milieu.’

Het instorten van de dierenartsdiensten diende indirect ook de belangen van de rijke landen: in 1984 kelderde de export van Somalisch rundvee naar Saoedi Arabië en de Golfstaten toen de import van rundvlees naar Saoedi-Arabië naar leveranciers uit Australië en de Europese Gemeenschap ging. De ban op Somalisch vee opgelegd door Saoedi-Arabië werd echter niet opgeheven toen de runderpestepidemie onder controle was.

De staat vernietigen

De herstructurering van de overheidsuitgaven onder supervisie van de Bretton Woods instellingen speelde ook een cruciale rol bij de vernietiging van de voedsellandbouw. De agrarische infrastructuur stortte in en de recurrente uitgaven voor de landbouw namen met ongeveer 85 procent af in verhouding tot midden jaren 70. De Somalische overheid werd door het IMF verhinderd nationale bronnen in te zetten. Er werden strenge targets voor het overheidstekort gesteld. Bovendien gaven de geldschieters steeds meer ‘hulp’, niet in de vorm van import van kapitaal en materiaal, maar in de vorm van ‘voedselhulp’. Die voedselhulp werd vervolgens door de overheid op de lokale markt verkocht en de opbrengsten van deze verkoop (de zogeheten ‘counterpart fondsen’) werden gebruikt om de nationale kosten van ontwikkelingsprojecten te dekken. Vanaf begin jaren 80 werd ‘de verkoop van voedselhulp’ de voornaamste bron van inkomsten voor de staat, waardoor de geldschieters het hele budgetproces beheersten.

De economische hervormingen waren gekenmerkt door het instorten van gezondheids- en onderwijsprogramma’s. Tegen 1989 waren de uitgaven voor gezondheid met 78 procent afgenomen ten opzichte van 1975. Volgens cijfers van de Wereldbank was het niveau van terugkerende uitgaven aan onderwijs in 1989 ongeveer US$ 4 per jaar per lagereschoolleerling en in 1982 circa $ 82. Van 1981 tot 1989 nam de inschrijving in scholen met 41 procent af (ondanks de flinke toename van de bevolking op schoolgaande leeftijd), schoolboeken en -materiaal verdwenen uit klaslokalen, schoolgebouwen vervielen en bijna een kwart van de lagere scholen werd gesloten. De salarissen van de leraren zakten tot een zeer laag niveau.

Het programma van IMF-Wereldbank heeft de Somalische economie in een vicieuze cirkel gebracht: de decimatie van de kuddes bracht de herdersvolken tot hongersnood hetgeen zijn terugslag had op de graanproducenten die hun graan voor rundvee verkochten of ruilden. De hele sociale structuur van de herderseconomie werd tenietgedaan. Het instorten van valuta-inkomsten van de afnemende rundvee-export en overmakingen (van Somalische arbeiders in de Golfstaten) had zijn terugslag op de betalingsbalans en de overheidsgelden van de staat, en leidde tot het mislukken van de economische en sociale overheidsprogramma’s.

Kleine boeren verhuisden als gevolg van dumpen van gesubsidieerd Amerikaans graan op de nationale markt gecombineerd met de stijging van de prijzen van boerderijgrondstoffen. De verarming van de stedelijk bevolking leidde ook tot inkrimpen van de voedselconsumptie. De overheidssteun in de geïrrigeerde gebieden werd bevroren en de productie op de staatsboerderijen nam af. De staatsboerderijen waren voorbestemd om te sluiten of te worden geprivatiseerd onder supervisie van de Wereldbank.

Volgens schattingen van de Wereldbank waren de werkelijke lonen in de overheidssector in 1989 met 90 procent afgenomen in vergelijking tot midden 70. Het gemiddelde loon in de overheidssector was tot US$ 3 per maand gedaald, en dat leidde tot de onvermijdelijke desintegratie van het burgerbestuur. Een programma voor de rehabilitatie van ambtenarenlonen werd voorgesteld door de Wereldbank (in de context van hervorming van de ambtenarij), maar dit doel moest worden bereikt met hetzelfde budget door ontslag van 40 procent van de werknemers in de publieke sector en het schrappen van salarisextra’s. In dit plan zou de ambtenarij worden gereduceerd tot slechts 25.000 werknemers tegen 1995 (in een land met zes miljoen inwoners). Verscheidene geldschieters hadden grote belangen bij het financieren van de kosten verbonden aan het snoeien van de ambtenaren.

Geconfronteerd met een dreigende ramp werd er geen poging gedaan door de internationale geldschieterkringen om de economische en sociale infrastructuur van het land te herstellen, de koopkracht te verbeteren en de ambtenarij weer op te bouwen: de macro-economische bijstellingsmaatregelen voorgesteld door de crediteuren in het jaar voor de val van de regering van Generaal Siyad Barre in januari 1991 (tijdens het hoogtepunt van de burgeroorlog) vereiste verder inkrimpen van de overheidsuitgaven, de herstructurering van de Centrale Bank, de liberalisering van krediet (wat feitelijk de particuliere sector hinderde) en de liquidatie en ontmanteling van de meeste overheidsbedrijven.

In 1989 bedroegen de renteverplichtingen 194,6 procent van de inkomsten uit export. De lening van het IMF werd afgeblazen vanwege de achterstallige betalingen van Somalië. De Wereldbank had een structurele aanpassingslening toegezegd van US$ 70 miljoen in juni 1989 die een paar maanden later werd bevroren wegens de slechte macro-economische prestaties van Somalië. Achterstallige betalingen aan crediteuren moesten worden gedaan voor toezegging van een nieuwe lening en onderhandelingen over schuldherschikking. Somalië zat klem tussen rentebetaling en structurele aanpassing.

Hongernood in Sub-Sahariaans Afrika:  de lessen van Somalië

De ervaring met Somalië toont aan hoe een land kan worden verwoest door de gelijktijdige toepassing van voedselhulp en macro-economisch beleid. Er zijn veel Somaliës in de ontwikkelende wereld en het pakket economische hervormingen geïmplementeerd in Somalië is vergelijkbaar met dat toegepast in meer dan 100 ontwikkelingslanden. Maar er is nog een significante dimensie: Somalië is een herderseconomie en door heel Afrika wordt nomadisch en commercieel vee vernietigd door het programma van IMF-Wereldbank op eenzelfde manier als in Somalië. In deze context heeft de import van gesubsidieerd rundvlees en zuivelproducten (duty free) uit de Europese Unie geleid tot de afbraak van Afrika’s herderseconomie. De import van Europees rundvlees in West-Afrika is sinds 1984 verzevenvoudigd: ’lage kwaliteit EC rundvlees verkoopt voor de helft van de prijs van lokaal geproduceerd vlees. Sahelboeren ontdekken dat niemand hun kuddes wil kopen.’

De ervaring van Somalië toont aan dat hongersnood in eind 20e eeuw niet het gevolg is van voedseltekort. In tegendeel, hongersnood ontstaat als gevolg van een wereldwijd overschot aan graanproducten. Sinds de jaren 80 zijn de graanmarkten gedereguleerd onder toezicht van de Wereldbank en het Amerikaanse graanoverschot wordt systematisch gebruikt zoals in het geval van Somalië om de boerenstand tot verval te brengen en de nationale voedsellandbouw te destabiliseren. De voedsellandbouw wordt onder deze omstandigheden kwetsbaarder voor de grillen van droogte en milieuproblemen.

Over het hele continent gaat het patroon van “sectorale verandering’ van de landbouw onder toezicht van de Bretton Woods instanties onherroepelijk richting vernietiging van de voedselvoorziening. De afhankelijkheid van de wereldmarkt is versterkt, ‘voedselhulp’ aan Sub-Sahariaans Afrika is meer dan verzevenvoudigd sinds 1974 en de commerciële graanimport meer dan verdubbeld. Graanimport voor Sub-Sahariaans Afrika is toegenomen van 3,72 miljoen ton in 1974 tot 8,47 miljoen ton in 1993. Voedselhulp nam toe van 910.000 ton in 1974 tot 6,64 miljoen ton in l993.

‘Voedselhulp’ was echter niet langer voor de Sahellanden die onder droogte te lijden hadden; het werd ook doorgesluisd naar landen die tot nu toe min of meer zelfvoorzienend waren voor voedsel. Zimbabwe (vroeger de broodmand van Zuid-Afrika) werd zwaar getroffen door de hongersnood en droogte in 1992. Het land had te kampen met een afname met 90 procent van de maisoogst, voornamelijk op minder productieve gronden. Ironisch genoeg scoorde tijdens de droogte tabak voor de export (gesteund door modemirrigatie, krediet, onderzoek, enz.) een recordoogst. Terwijl ‘de bevolking door de hongersnood gedwongen is termieten te eten’ werden veel van de inkomsten van de tabaksoogst van Zimbabwe gebruikt om de rente over de buitenlandse schulden te betalen.

In het structurele aanpassingsprogramma hebben steeds meer boeren de traditionele voedselgewassen de rug toegekeerd; in Malawi, eens een netto voedselexporteur, nam de maisproductie met 40 procent af in 1992 terwijl de tabakoogst tussen 1986 en 1993 verdubbelde. Honderdvijftigduizend hectare van het beste land werd toegewezen aan tabak. In de jaren 80 werden strenge bezuinigingsmaatregelen opgelegd aan de Afrikaanse regeringen en uitgaven aan landinrichting drastisch gekort, en dat leidde tot het instorten van de agro-infrastructuur. Met het Wereldbank programma moest water een grondstof worden die werd verkocht op basis van kostenverhaal aan arme boeren. Vanwege gebrek aan geld was de staat gedwongen zich terug te trekken uit het beheer en behoud van de watervoorziening. Waterpunten en boorgaten droogden op door gebrek aan onderhoud, of werden geprivatiseerd door plaatselijke handelaars en rijke boeren. In semi-aride streken leidt deze commercialisering van water en irrigatie tot het instorten van de voedselvoorziening en honger.

Afsluitende opmerkingen

Terwijl ‘externe’ klimaatsveranderingen een rol spelen bij het triggeren van een hongersnood en de sociale impact van droogte vergroten, wordt hongersnood in de tijd van globalisering door de mens veroorzaakt. Ze zijn niet het gevolg van voedselschaarste maar van een universele structuur van overschot dat de voedselvoorziening ondermijnt en de binnenlandse voedsellandbouw vernietigt. Dit overschot, streng gereguleerd en beheerst door de internationale agri-business, draagt uiteindelijk bij aan de stagnatie van zowel productie als consumptie van essentiële basisvoedsel en de verarming van boeren over de hele wereld. Bovendien is er in de tijd van mondialisering een direct verband tussen het aanpassingsprogramma van de IMF-Wereldbank en het proces van hongersnoden, omdat het systematisch alle categorieën economische activiteiten ondermijnt, stedelijk of landelijk, die niet direct de belangen van het wereldmarktsysteem dienen.

 

door Michel Chossudovsky
Met dank aan Global Research http://www.globalresearch.ca/index.php?context=va&aid=25725

Voor het eerst gepubliceerd in 1993, Third World Resurgence en Le Monde diplomatique


Aanvulling redactie:

Herinnert u zich de ‘genocide’ in Darfur (Soedan) nog?

Onderstaande video laat zien hoe ook daar via de media een beeld geschapen werd dat niet klopt met de werkelijkheid. De werkelijke genocide vond plaats in Ogaden, Ethiopië.
Uiteindelijk ging het hele (media)gebeuren weer om grondstoffen en geld. 

Video:




Bron:  http://www.youtube.com/watch?v=0PrT5P8Dftw&feature=player_embedded

 

 

 





©2007 www.wijwordenwakker.org