Olieprijzen en Amerika’s oorlogen

      
  De 'vier ruiters' achter het spel van de olieoorlogen

Terwijl iedereen moet dokken voor hoge benzineprijzen laat de directie van Exxon Mobil weten dat de winst dit kwartaal met 60% is toegenomen tot 10 miljard dollar. Royal Dutch Shell heeft te kennen gegeven dat de winst dit kwartaal met 30% is toegenomen. 

Engels schrijver Anthony Sampson schreef in 1975 “The Seven Sisters”: een boek over de macht en invloed van de zeven grootste oliemaatschappijen in de wereld Esso, Gulf, Texaco, Mobil, Socal, Shell en BP. Onder de naam de Zeven Zusters beheersten zij de wereldmarkt en schreven regeringen de wet voor; pas in een recent verleden konden de olieproducerende landen daar iets tegenoverstellen.

Het boek de Seven Sisters laat zien hoe de Zeven groot werden, hoe Rockefellers Standard Oil een monopolie werd, hoe de Zeven tussen de twee oorlogen met geheime overeenkomsten de wereld opdeelden, hoe zij tijdens de oorlog pogingen van de regering hun macht in te dammen weerstonden en hoe in de naoorlogse jaren de olieproducerende landen in de tegenaanval gingen.

De naam Zeven Zusters was bedacht door de Italiaan Enrico Mattei. Mattei onderhandelde in de jaren 60 van de vorige eeuw met Algerije, Libië en andere nationalistische OPEC-landen die hun olie wilden verkopen zonder de tussenkomst van de Zeven Zusters.

De Organisatie van olie-exporterende landen (Engels: Organization of the Petroleum Exporting Countries, OPEC) is een samenwerkingsverband van twaalf landen die netto olie uitvoeren. OPEC vormt in feite een kartel, dat door het veranderen van het aanbod van olie de prijs daarvan kan sturen. OPEC werd op 14 september 1960 opgericht in Bagdad (Irak) op initiatief van Venezuela. De oprichters waren naast Venezuela en Irak, Saoedi-Arabië, Iran en Koeweit.

Algerije had een lange geschiedenis van het trotseren van Big Oil en werd geregeerd door President Houari Boumedienne, een grote Arabische socialistische leider. De oorspronkelijke ideeën voor een rechtvaardige nieuwe internationale economische orde kwamen van hem. Hij moedigde producenten in felle toespraken aan in de VN om op OPEC gestoelde kartels te maken, als een middel tot emancipatie van de Derde Wereld.

Mattei stierf in 1962 in een mysterieus vliegtuigongeluk. Frans agent van de geheime dienst Thyraud de Vosjoli zei dat de Franse geheime dienst hier een aandeel in had. Ook William McHale, de journalist die voor Time Magazine de poging van Mattei om los te breken van Big Oil versloeg, stierf onder vreemde omstandigheden.

Een golf van fusies rond het millennium transformeerde de Zeven (Royal Dutch/Shell, British Petroleum, Exxon, Mobil, Chevron, Texaco and Gulf) tot een gemakkelijk hanteerbare groep van vier. Ik heb ze de Vier Ruiters gebombardeerd: Exxon Mobil, Chevron Texaco, BP Amoco en Royal Dutch/Shell.

Aan het einde van 19de eeuw had John D. Rockefeller in de volksmond de naam: “koopman van de verlichting” (illumination merchant), in de tijd dat olie de lampen van de huishoudens brandende hield. Rockefeller zag in dat het de verfijning van ruwe olie tot diverse eindproducten was, dat geld in het laatje bracht en de sleutel was tot de controle over de olie-industrie.

In 1895 bezat zijn bedrijf Standard Oil Company 95% van alle olieraffinaderijen in Amerika en was hij bezig zijn vleugels uit te slaan naar landen overzee. Standard Oil werd gesponsord door Kuhn Loeb en de Rothschild bankfamilie. Terwijl Rockefeller de touwtjes in handen had in Amerika, consolideerde de Rothschilds de macht over de oliebronnen in de ‘oude’ wereld.

Shell Olie kreeg zijn naam van de overvloed aan schelpen die op de stranden van Indonesië lagen, de archipel waar Nederland de baas was in 1892. Marcus Samuel stond aan het hoofd van Shell Oil, dat ruwe olie door het Suezkanaal vervoerde naar de Europese fabrieken. De familie Samuel controleerde de grootste handelsbank in Londen: Hill Samuel, samen met het handelshuis: Samuel Montagu.

Henri Deterding, in 1900 directeur van de Koninklijke Nederlandsche Petroleum Maatschappij (KNPM) geworden, probeerde de dominante positie van Standard Oil te ondermijnen door afspraken te maken met andere concurrenten. In 1902 startte Shell Pernis als Benzine-Installatie Rotterdam aan de Sluisjesdijk aan de Waalhaven in Rotterdam.

Deterding richtte in 1903 met het Zweedse Nobel, Bnito van de Rothschilds en Shell de Asiatic Petroleum Company (APC) op. In 1907 gingen Koninklijke Olie en Shell Co. een zeer nauwe samenwerking aan, zonder te fuseren. Koninklijke Olie kreeg een belang van 60 procent in de Koninklijke/Shell Groep, het Britse Shell 40 procent.

De groep beheerde drie maatschappijen; de Bataafsche Petroleum Maatschappij voor exploratie, productie en raffinage, APC voor marketing en de Anglo Saxon Petroleum Company voor opslag en transport, waarbij de Rothschilds nog slechts een belang hielden van 33 procent in Asiatic. De Nederlandsch-Indische Tank-Stoomboot Maatschappij verzorgde het vervoer in Nederlands-Indië, dat voorbehouden was voor schepen onder Nederlandse vlag.

Standard Oil stapte niet direct in de nieuw ontdekte olievelden in Texas, wat kansen gaf voor nieuwe oliemaatschappijen als Gulf Oil en Texas Fuel Company, het latere Texaco. Die bedrijven maakten gebruik van tankers om hun olie aan de Amerikaanse oostkust te krijgen in plaats van de pijpleidingen van Standard Oil.

In 1927 ontdekte Royal Dutch Petroleum olie bij de kust van Brunei, de sultan zou de rijkste man van de wereld worden als gevolg van zijn loyaliteit aan Royal Dutch. Het Engelse en de Nederlandse koningshuis, die Royal Dutch controleerden, fuseerden hun bedrijf met Shell, Rotschilds Far East Trading Company en Royal Dutch/Shell was geboren. Koningin Beatrix en Lord Victor Rothschild zijn de grootste aandeelhouders.

In 1872 had baron Julius du Reuter een contract gekregen om 50 jaar olie te kunnen boren in Iran. In 1914 nam Engeland echter de touwtjes in handen van zijn Anglo-Perzische onderneming en gaf het de nieuwe naam Anglo-Iranian, daarna werd de naam British Petroleum, toen BP. De Engelse monarchie, het huis Windsor, heeft een groot deel van de aandelen BP Amoco in handen, terwijl het koningshuis in Koeweit 9,5% bezit.  

In de jaren negentig van de vorige eeuw had Standard Oil ongeveer 85 procent van de markt voor olieproducten in de VS. De magnaat John D. Rockefeller stond aan het hoofd van een olie-imperium dat geen gelijke had in de wereld.

Senator John Sherman uit Ohio ontwiep daarom een Antitrust Act die werd aangenomen. Wat de wet ook deed, het leidde niet tot stappen tegen Standard Oil. In hetzelfde jaar werd de eerste petitie tot ontbinding van Standard Oil ingediend in Ohio. Ook dat had geen resultaat. Rockefeller steunde Sherman bij zijn herverkiezing in 1891. In 1906 verordonneerde de Amerikaanse regering dat Rockefellers Standard Oil Trust moest opsplitsen.

Al decennialang was Rockefeller in de VS een publieke figuur, die in de beste Amerikaanse traditie werd gehaat en bewonderd vanwege zijn zakelijke activiteiten en zijn rijkdom. Langzaam kwamen de zakelijke praktijken van het bedrijf aan het licht. Prijsafspraken, anticoncurrerende maatregelen, samenzwering met spoorwegmaatschappijen waren al jaren schering en inslag.

Na het aantreden van president Theodore Roosevelt in 1901 kwam het anti-trustonderzoek op gang. Hij kon deze eerste zaak niet winnen en Standard Oil ging in hoger beroep vrijuit maar in 1908 begon hij opnieuw. Veroordeling en opsplitsing van Standard Oil volgde uiteindelijk in 1911. De rechtbank oordeelde dat zeven mannen en een onderneming hadden samengespannen tegen hun medemensen.

De opsplitsing van Standard Oil binnen de verschillende staten van Amerika zorgde ervoor dat de Rockefeller familie, die eigenschap behield van 25% van alle nieuwe Standard Oil bedrijven, nog rijker werd dan ze al waren. Al snel begonnen de nieuwe bedrijven samen te gaan.

Het nieuwe Standard Oil of New York fuseerde met Vacuum Oil en vormde Socony-Vacuum, dit werd in 1966 Mobil. Standard Oil of Indiana fuseerde in 1985 met Standard Oil of Nebraska en werd Amoco. In 1972 werd Standard Oil of New Jersey Exxon. In 1984 fuseerde Standard Oil of California met Standard Oil Kentucky en noemde zich Chevron. Standard Oil of Ohio (Sohio) werd door BP opgekocht. BP had al eerder Atlantic Richfield (ARCO) opgekocht. Dus de familie Rockefeller werd eigenaar van een groot deel van BP.

In 1920 domineerden Exxon, BP en Royal Dutch/Shell een groot deel van de olieindustrie, samen met de Rockefellers, Rothschilds, Samuel, Nobel and Oppenheimer families; de koningshuizen in Nederland en Groot-Brittannië hadden vele aandelen. Twee  andere dochterondernemingen van de Rockefellers, Mobil en Chevron, kwamen niet ver achter de Grote Drie.

De eerste poging tot corruptie werd bekend toen de ontmoeting in 1928 van Sir John Cadman van BP, Henry Deterding van Royal Dutch/Shell, Walter Teagle van Exxon en William Mellon van Gulf in Cadman’s kasteel in Achnacarry, Schotland in openbaarheid kwam. De topfiguren uit de olie-industrie waren in het geheim bij elkaar gekomen in Achnacarry Castle in Schotland. Ze spraken af dat Shell, BP en Standard Oil een kartel zouden vormen, het zogenaamde As-is Agreement. De olievoorraden en oliemarkt werden onderling verdeeld. Ze zouden opslagfaciliteiten delen en de productie van olie beperken om zo de prijs hoog te houden.

Big Oil zou in de daaropvolgende jaren nog meer afspraken maken. In 1930 werd het Memorandum of understanding for Eurpean markets getekend. In 1932 Heads of agreement for distribution en in 1934 Draft memorandum of priciples.

Tussen 1931 en 1933 zouden de vier ruiters Exxon Mobil, Chevron Texaco, BP Amoco en Royal Dutch/Shell de prijs van een vat ruwe olie uit Texas omlaag brengen van $98 per vat naar $10 per vat. Veel mensen raakten hun baan kwijt. Degenen die hun baan behielden moesten akkoord gaan met productie quota’s, quota’s die vandaag de dag nog steeds gelden. Het is de schuld van deze quota’s, niet de milieuactivisten, dat Amerika afhankelijk is gemaakt van olie uit het Midden Oosten.

John D. Rockefeller zelf had geen interesse in ruwe olie, hij investeerde in raffinaderijen en maakte deals met de spoorwegen (om kosten te drukken van vervoer per schepen) die door Morgan werd beheerst. Tegenwoordig is het familiefortuin van de Rockefellers verbonden met afgeleiden van de olie-industrie zoals petrochemie, plastic, bankwereld, luchtvaart en auto’s.

In de jaren ’80 in de vorige eeuw investeerde David Rockefeller 35 miljard dollar in Singapore, wat een belangrijk centrum van raffinaderijen is geworden. De belangrijkste raffinaderij van Royal Dutch/Shell is in Pulau Bukom in Singapore. In 1991, toen de Aziatische tijgers zich begonnen te roeren, introduceerde Exxon Mobil ongelode benzine in Thailand, Maleisië, Hong Kong en Singapore. Deze wordt geproduceerd in Singapore.

De vier ruiters volgden het spoor van het geld. Ze bezitten de grootste raffinaderijen en alle andere fabrieken van eindproducten. RoyalDutch/Shell is de grootste producent van ruwe olie en 1 van de 10 vaten geraffineerde producten komt van hen. 77% van de winst van Shell komt van de petrochemie. De grootste raffinaderij ter wereld is van Shell, deze staat op Aruba. Ook de ruwe olie uit Afrika, van Nigeria en Angola wordt daar verwerkt. 

Op dit moment investeert Shell in Middle Distillate Synthesis (MDS), waarbij vloeibaar gas wordt gebruikt. In 1996 zijn MDS fabrieken in Maleisië, Nigeria en Noorwegen gebouwd.  

In 1993 zijn Shell, Exxon Mobil en Mitsubishi een nieuw biobrandstof project gestart in Venezuela en ze breidden hun petrochemische fabrieken uit voor 1,1 miljard dollars in Brazilië. In dat zelfde jaar ontdekte BP Amoco grote olievelden in Colombia.

In 1969 bezat Exxon 67 olieraffinaderijen in 37 landen. Meer dan 60% van de winsten in 1991 kwamen van afgeleide olieproducten. In het eerste kwartaal van dat jaar maakte Exxon 2,4 miljard dollar winst, het hoogste bedrag ooit. Het was geen toeval dat de Perzische Golfoorlog van 1990-1991 bezig was. Het was de oorlog in 1990 en 1991 waarbij Irak aanvankelijk Koeweit binnentrok en veroverde, en later door een door de Verenigde Staten geleide internationale coalitie weer uit het land werd verdreven.

Exxon zorgde voor de olie die nodig was.  In de jaren 90 kocht Exxon de plastic divisie van Allied Signal en ging samenwerken met Dow en Monsanto. In 2000 maakte Exxon Mobil 17 miljard dollar nettowinst. Van 2003 tot 2006, gedurende de bezetting van Irak, brak de corporatie geregeld de eigen winstrecords.

De laatste tijd zijn de vier ruiters weer de grootste brandstofproducenten in Amerika. Ze bezitten de pijplijnen en olietankers. Shell heeft 121 tankers, 133.000 employees, bezittingen ter waarde van 105 miljard dollar. Het olieplatform van Shell in de Golf van Mexico is het grootste ter wereld.

Exxon Mobil is de grootste producent van smeermiddelen en zijn wetenschappers vonden butylrubber uit. Exxon heeft fabrieken in 200 landen en is de enige firma die de harde Beaufort Zee bedient, waar het 19 eilanden van staal bouwde om te kunnen boren. Exxon bezit het merendeel van het land in Jemen, Oman en Tsjaad. De activa bedroegen in 1991 $87 miljard.

In de jaren 60 van de vorige eeuw fuseerden weer vele oliecorporaties. Exxon kocht Monterey Oil en Honolulu Oil. Chevron fuseerde met Standard Oil of Kentucky. Atlantic Oil gins op in Richfield Refining en vormde ARCO, dat ook Sinclair overnam. Marathon Oil kocht Plymouth Refining.

In de jaren 80 kocht Chevron Gulf, Texaco kocht Getty Oil, Mobil kocht Superior Oil, BP kocht Britoil en Sohio (Standard Oil of Ohio), ARCO kocht City Services, US Steel kocht Marathon Oil.

In 1985 kocht Shell ‘Occidental Petroleum’s Columbian’, in 1988 Tenneco’s activa in Colombia. In 1990 werd Amoco (Standard Oil of IN) BP Amoco. In 1999 kocht BP Amoco ARCO, hiermee werd BP Amoco voor 72% de bezitter van de pijplijn in Alaska.

Exxon kocht in 1991 Texaco Canada en Mexico’s Compania General de Lubricantes. Conoco werd aangekocht door DuPont. In maart 1997 fuseerden Texaco en RoyalDutch/Shell hun operaties in Amerika.

De laatste grote fusies vonden plaats in november 1999. Exxon ging samen met Mobil. Chevron kocht het Thaise Rutherford-Moran Oil en Argentijnse Petrolera Argentina San Jorge. In juli 2000 fuseerde de petrochemische industrie van Chevron met Philips en Chevron fuseerde met Texaco.   In 2002 fuseerde Philips Petroleum met Conoco. RoyalDutch/Shell kocht Pennzoil/Quaker State en Enterprise Oil. In 2005 kocht Chevron Texaco Unocal. En de vier ruiters reden door.

Draaideur politiek in de raden van bestuur

Leden van de raad van bestuur van Exxon Mobil zitten in het bestuur van JP Morgan Chase, Citigroup, Deutsche Bank, Royal Bank of Canada en Prudential. Chevron Texaco heeft mensen die zitten in het bestuur van de Bank of America en JP Morgan Chase. BP Amoco deelt directeuren met JP Morgan Chase. RD/Shell heeft banden met Citigroup, JP Morgan Chase, N. M. Rothschild & Sons en de Bank of England.

De voormalige voorzitter van de Citibank Walter Shipley was bestuurslid van Exxon Mobil, net zoals Wayne Calloway van de Citigroup en Allen Murray  van JP Morgan Chase. Willard Butcher van Chase was bestuurslid van Chevron Texaco. Alan Greenspan was bestuurslid bij Morgan Guaranty Trust en ook bij Mobil. De directeur van BP Amoco, Lewis Preston, werd president van de World Bank. William Johnston Keswick, wiens familie de Jardine Matheson in Hong Kong controleert zat ook aan als bestuurslid bij BP Amoco. Keswick’s zoon is een directeur bij HSBC. The Hong Kong connectie is nog duidelijker bij RD/Shell.

Lord Armstrong of Ilminster was bestuurslid bij RD/Shell, N. M. Rothschild & Sons, Rio Tinto en Inchcape. Eigenaar van Cathay Pacific Airlines en insider van HSBC Sir John Swire was een directeur van Shell, alsook Sir Peter Orr, die naast Armstrong in de raad van bestuur zit bij Inchape. Shell directeur Sir Peter Baxendell zit met Armstrong in het bestuur bij Rio Tinto, terwijl Shell’s Sir Robert Clark in het bestuur zit bij de Bank of England.

Vanaf 1993 was Banker’s Trust de grootse aandeelhouder van Exxon. Chemical Bank was nummer 4 en J.P. Morgan was de 5 na grootste aandeelhouder. Beiden zijn nu een deel van JP Morgan Chase. Banker’s Trust was ook de grootste aandeelhouder van Mobil. BP gaf Morgan Guaranty op als grootste aandeelhouder in 1993, terwijl Amoco Banker’s Trust als een na grootste aandeelhouder aanduidde. Bij Chevron was Banker’s Trust de vijfde aandeelhouder. Texaco had J.P. Morgan als vierde eigenaar en Banker’s Trust als nummer 9.

Dus, de Deutsche Bank en JP Morgan Chase, de banken van Warburg en Rockefeller, hebben veel aandelen in Exxon Mobil, BP Amoco en Chevron Texaco. De door de Rothschilds gecontroleerde Bank of America en Wells Fargo hebben controle over de olie in de Westkust. Wells Fargo en Mellon Bank waren beiden vanaf 1993 bij de top 10 aandeelhouders van Exxon Mobil, Chevron Texaco en BP Amoco.

Informatie over RoyalDutch/Shell is moeilijker te verkrijgen. 60% is in handen van Royal Dutch Petroleum of Holland en 40% is in handen van Shell Trading & Transport uit Engeland. RD/S heeft slechts 14.000 aandeelhouders en een paar directeuren. Men is het erover eens dat het bedrijf waarschijnlijk voornamelijk in handen is van de families Rothschild, Oppenheimer, Nobel, Samuel en het Britse House of Windsor en het Hollandse Huis van Oranje.

Koningin Beatrix en Lord Victor Rothschild zijn de twee grootste aandeelhouders van RoyalDutch/Shell. Haar moeder, Prinses Juliana was ooit de rijkste vrouw ter wereld. Zij trouwde met Prins Bernhard in 1937, die lid geweest was van de jeugdbeweging van Hitler, SS en employé van (Nazi bedrijf) I. G. Farben. Hij zat in de raden van bestuur van meer dan 300 Europese corporaties en was de oprichter van de Bilderberg Conferenties.

Het is goed voor iedereen het spel en de spelers te kennen.

Door Dean Henderson
Dean Henderson is de auteur van Big Oil & Their Bankers in the Persian Gulf
www.deanhenderson.wordpress.com

Met dank aan Global Research:  http://globalresearch.ca/index.php?context=va&aid=24507


Vertaald door ‘t Vertalerscollectief



 





©2007 www.wijwordenwakker.org